Welkom

Vroeger lag mijn welkomstmatje verkeerd om. Het woord welkom naar mij uitgespeld, alsof ik eraan herinnerd moest worden, steeds wanneer ik de deur opende, de gast die hier verscheen wel welkom te heten. Eigenlijk waren deze matjes bedoelt om dit niet te hoeven uitspreken, de gast las zelf dat hij welkom was, daarnaast kon je hem met gemak de deur wijzen.

Ik las mijn matje trouw voor, na elke deurbel.

Zo kwam het dat er op een dag 12 Amerikaanse mormonen aan mijn eettafel zaten, die allemaal wel een koffie lusten. Ze zeiden “We voelen ons nergens zo welkom als hier!” en “Mogen we u over Jezus vertellen?”

Jezus boeide mij niet zoveel. Je ergens welkom voelen wel.

Ik zei “Kennen jullie Heitje voor Karweitje?” “Nee”, zeiden zij. Ik zei dat ze dat eens moesten proberen, zo zouden ze overal welkom zijn.

Duif

Het afgelopen weekend werd wat ik al jarenlang vermoedde uiteindelijk werkelijkheid. Duiven zijn blind voor mijn bestaan. Ik heb me soepel door straten bewogen, mijn nek lichtjes in mijn schouders gestoken om niet boven de massa te torenen, om niet geraakt te kunnen worden.

Ik heb ze ontweken en in de ogen gekeken, maar wist altijd al dat zij mij niet konden zien. Voor hen was ik misschien een schaduw, misschien een massa die zij niet herkenden als zodanig. Misschien voelden ze wel een zuchtje wind of iets hen schampen wanneer ze langs mij heen vlogen, maar mij erkennen hebben zij nog nooit gedaan. Nooit staken zij ook maar een flard van een vogelseconde hun snavel mijn richting in en dachten zij “och kijk: iemand”.

De stadsduif heeft mij nu dan eindelijk opgemerkt, alleen kan hij het helaas niet navertellen. Hij heeft mijn bestaan erkent en vond direct de dood. Misschien ontstaat hierdoor een duivenmythe, misschien ben ik nu wel Teddy de Onzichtbare onder het duivenrijk. “Natuurlijk heeft niemand haar ooit echt gezien, haar aanblik bekoop je met de dood”, zullen de stadsduiven met angst in de kraalogen tegen elkaar koeren. Voor duiven in de lucht en op de daken wandel ik natuurlijk ook door een onderwereld, maar dan één geplaveid met asfalt, kruimels en kiezels in plaats van een woeste vlammenzee en Satan.

De rat van de lucht in kwestie trachtte op de vliegen, raakte een paal en vloog daarna vol goede moed tegen mijn been aan. Deze maakte op dit moment een trappende beweging, vanwege het feit dat ik aan het fietsen was, waardoor de stadsduif in mijn voorwiel terecht kwam, alle fatale gevolgen van dien. Er waren een hoop veren, wat geschrokken minderjarige omstanders, maar bovenal was er het besef: Duiven zien mij niet.

Een elfjarig meisje op een schoolplein

Uitgesproken op de tweede editie van Mensen Zeggen Dingen in de Ekko op 19-10-2016

Nog even en ik mag de Cito doen, en dan naar de grote school. De grote school heet zo omdat zij net zo groot is als de mensen die erheen gaan. Nog even en ik mag een grote boekentas zoals mijn neef heeft. Ik zal met een kleurtje de naam van de tas veranderen in iets grappigs, zodat mijn nieuwe klas zal denken: wat een gevat en groot meisje is dat.

Nog even en ik mag een boekje met daarin alle dagen van de week, waaronder ik dingen kan schrijven die ik die dag zal gaan doen. Zoals ‘poster uitknippen en ophangen over dat gaatje in de muur’ en ‘met Emmy afspreken’, want nog even en ik zit niet meer met Emmy in de klas.

Maar nu ben ik nog hier, op de kleine school met het kleine plein. Nu heb ik nog een tas waar precies al mijn knikkers inpassen, en een schriftje waar Emmy en ik plaatjes van Michael Jackson en Eminem in plakken. Soms schrijven we iets over een jongen, maar dat kan Emmy beter dan ik, want Emmy heeft grote zussen die al met grote vriendjes  praten over grote dingen.

Ik was gisteren een dagje ziek thuis, ik weet dat je nooit een dagje ziek moet zijn want dan hebben ze het over je in de kleine pauze. Emmy en ik hebben het ook altijd alleen over de meisjes die er niet zijn, dat is makkelijker. Meisjes die er wel zijn praten namelijk terug. Ik had alleen maar een beetje buikpijn, ik had gewoon naar school kunnen gaan.

Als ik gewoon naar school was gegaan had ik nu geen verkering gehad met Bas. Bas bleef over van alle jongens waarmee iedereen gister verkering kreeg. Gister was aanmaak-dag, had ik vóór gister een boekje gehad met alle dagen van de week erin, had ik erin geschreven bij de dag van gister: aanmaak-dag. Dan had ik nu verkering gehad met Sam, of met Rheza. Maar niet met Bas.

Bas is vandaag ziek thuis, ik denk dat Bas buikpijn heeft omdat hij bang is dat ik de verkering uit ga maken, wat ik ook zal doen als hij niet meer ziek is. Ik hoop dat er op de grote school ook uitmaak-dagen zijn, dan zal ik die met dikke stift in mijn boekje schrijven voor als ik weer een aanmaak-dag heb gemist.

 

De allesverzengende dood

Uitgesproken op de tweede editie van Mensen Zeggen Dingen in de Ekko op 19-10-2016

Het begon een paar weken geleden. Het kwam zoals zo vaak, met een klein kwaaltje. Een pijntje dat niet leek te verdwijnen. De mensen die ik in mijn leven heb verloren kunnen het niet meer vertellen, maar als zij nu hier aanwezig waren zouden ze instemmend knikken. Het begint altijd met een klein zeertje.

Bij mij begon het met een dichtgeknepen keel. Een brok in het strottenhoofd dat nu en dan de kop opstak. Vooral in de nacht. Google, de immer zo vriendelijke raadgever, vertelde mij al dat dit niet veel goeds kon betekenen. Op zijn minst keelkanker, zo luidde zijn devies.

Mensen die een traumatische ervaring hebben meegemaakt beginnen een verhaal als deze vaak met een veelbetekenende observatie. “De zwarte wolken trokken dicht, ik had het toen al kunnen weten”, “De hond blafte die dag anders dan hij ooit had gedaan”, of “Mijn fiets was die morgen gestolen, dat was het voorteken van al het gruwelijks dat mij nog te wachten stond”.

In dit verhaal was het een Google zoekopdracht die mij zei: dit is niet pluis mevrouw. Een paar dagen later bleek inderdaad niets minder waar. Mijn linkerarm tintelde aan een stuk door, de druk op mijn borst verraadde een hartstilstand. Deze hartstilstand duurde al zeker drie dagen. Dit besef was opmerkelijk: ik had al lang moeten zijn bezweken aan deze aandoening.

Eenmaal bij de arts aangekomen werd het alles nog honderdmaal duidelijker dan ik ooit had kunnen verwachten. Geen mens had deze ziekte overleefd vertelde hij me, maar de uiteindelijke doodsoorzaak was zo uiteenlopend dat daarover weinig te zeggen viel. Het was in elk geval chronisch. Toen ze mij de naam van de ziekte waaraan ik lijd vertelde, moest ik even slikken. Om het dodelijke gezwel heen.

Hypochondrie. Een ziekte met een Griekse IJ in de naam, alsof het allemaal niet erger kon. Ik gaf de dokter maar geen hand bij het vertrek, ik wil niet nog een sterfgeval op mijn geweten hebben.

Ik heb het op mijzelf afgeroepen, heb een kort maar volledig leven geleefd. Ik heb gerookt, ik heb geproost, ik heb onveilig gevreeën. Lang had dit nooit goed kunnen gaan.

U bent vanavond mijn getuige, wanneer ik straks tegen de vlakte ga: ik wil droge cake en natte worstenbroodjes, veel meer dan dat wens ik niet. Als blijkt dat ik nog geen donor was en buiten de nieuwe regeling val, wees niet getreurd: waarschijnlijk kan er van mijn inhoud nog geen binnenband worden gedraaid. Ik hoop dat er nog vele Mensen Dingen zullen Zeggen, ook zonder mij. En die loodzware stoel die in mijn slaapkamer pronkt is voor mijn lief.

Koning Koprol

Gepubliceerd in de Boulevard Dagkrant 09-08-2016

“De naam Holland Heineken House is in 1992 bedacht vanwege de alliteratie”- Wikipedia. Yuri van Gelder had hier iets te vieren, hij was gekwalificeerd voor de finale in de ringen van de Olympische Spelen in Rio. Hij zou gaan hangen, zijn spieren spannen, soms van arm verwisselen, draaien, kolken en dan: fantastisch afspringen. Helaas werd hij voor dat dit kon gebeuren enorm aangeslagen en aangeschoten aangetroffen – alle diskwalificaties van dien.

Met de gym wilde ik altijd graag in de ringen. Beetje poeder in de palmen en zwieren maar. Mijn specialiteit was de heen-en-weer-slinger, met een aanloop – snelheid maken, en dan een afsprong plat op de billen. Bij het element De Koprol werd ik afgestraft, dat was mijn zwakke punt. Het lukt mij nog steeds niet. Het kop-gedeelte heb ik onder de knie, het is de rol waarmee ik de mist inga. Dat is meer een schuine duikval het matje af.
Zelfs Mirella kon de koprol.

Volgens bronnen is de turnheld weer veilig aangekomen in Den Bosch. En dat is maar goed ook. We hebben hier ook ringen, maar dan onder onze ogen. En voor een biertje hoef je nergens te spijbelen. Daarbij schenken we hier gewoon Yupiler, Yuri.

Verzamel ze allemaal!

Gepubliceerd in de Boulevard Dagkrant van 07-08-2016

Midden op de Parade zouden ze zich verzamelen, de Pokemon Go-ers die zich hadden aangemeld op het facebook-event Pokemon GO Den Bosch! Een evenement voor jonge mensen die hetzelfde spelletje op hun telefoon hebben gedownload. Dit is wellicht volledig aan u voorbij gegaan – de opkomst was op de hand van één Jiggly Puff te tellen.

Ik verzamelde vroeger alleen kartonnen kaartjes met glitter-Pokemon (waarde: nul, mooiheid: honderd), knikkers met spikkels (idem), en flippo’s met de mooiste plaatjes (dito). En ik deed nooit aan spelletjes, ik had al de mooiste dus daar begreep ik niets van. Zo kon je ze alleen maar kwijtraken. Ik was de verzamelaar, niet de winnaar. Maar dus ook niet de verliezer. Dat was Mirella, die verzamelde ze niet eens.

Bij de kassa laat ik kaarten printen voor de voorstellingen die ik in het kader van deze krant mag zien. Het apparaatje vouwt de kartonnen kaartjes brommend tot een flinke stapel. De mevrouw naast mij kijkt naar het stapeltje, knikt ernaar met haar lippen getuit en kijkt me aan. ‘Zoo!’, zegt ze. Ik voel een gek soort trots.

Met de stapel tegen mijn borst gedrukt loop ik de Parade op, een meisje in een Pikachu-vestje staat bedremmeld midden op het druk bezochte evenement waarvoor ik net heel veel mooie kaarten heb verzameld.

Dakloze-krant

“Je mag wel een keer iets niet goed doen hoor”, ik wist niet precies wat mama hiermee bedoelde maar nam mijn taak uiterst serieus.

Niet lief zijn tegen de meester zat er niet in, die was immers ook heel lief tegen mij. Tijdens tekenen heb ik expres een inktpotje laten vallen, maar dit werd niet opgemerkt dus heb ik hem zelf maar opgeruimd en opgeborgen.

Met de eerste pauze verloor ik al mijn knikkers. Dit gebeurde wel vaker, ik kan niet zeggen dat ik dat expres had gedaan, maar het was wel vervelend en zonde. Ik had van die bonken, met spikkels.

Daarna had ik uit het raam gestaard, om mijn taak nog eens te heroverwegen. Niet goed, was niet meteen fout. Een som verkeerd oplossen zou het hem dus niet doen.
De meester vroeg me verder te lezen, omdat hij me wilde betrappen op niet opletten, maar ik wist al waar we waren omdat ik dit stukje al had gelezen.

Tijdens de laatste pauze gingen we kletsen in het ‘pishokje’. Dit inhammetje in het bovenbouw-gedeelte van het schoolplein, was het hoekje waar je tijdens jongens tegen de meisjes werd opgesloten. In de onderbouw heette het nog politie en boefje, toen was zo’n hoekje logischerwijs de gevangenis, maar tijdens jongens tegen de meisjes was het gewoon het pishokje, waar je dan even moest wachten tot je weer aangetikt werd. Het was geen toilet en voor zover ik wist ging er nooit iemand plassen, maar er was de suggestie van pis en dat was voldoende.

Naast het pishokje was een huisje, met de deur aan de buitenkant van de school. Er woonde al heel lang niemand meer in het huisje, tot nu. Nu woonde er een dakloze.

Het was half drie, ik kon mama nog niet onder ogen komen. Het was nu of nooit. Met een groepje liepen we naar de voordeur van de man met de lange haren. Ik stak een stok, die ik onder de esdoorn op het schoolplein had opgeraapt, door de brievenbus en riep met alles wat ik in me had: “Dakloze!”

Toen mama mij kwam ophalen zat ik trots als een pauw in het nablijflokaal.

Pa’s lunch 1

De vakanties herinner ik mij niet van de zon of het zoute zand op mijn huid. Ik herinner ze me als foto’s, als scene’s door mijn ouders beschreven en door hen geregisseerd. Een blauwdruk onder een blauwe hemel, gesealed in a-chronologische mapjes.

Ik weet nog dat ik met papa naar Madurodam ging. Nog nooit eerder gingen wij met zijn tweeën naar iets. Laat staan naar Madurodam.

Ik zat achterin, papa wist precies waar we naartoe moesten. De kaart van Nederland lag in de bijrijdersstoel. Ik was nog te klein om kaart te kunnen lezen. Mama kon dat wel, maar die zat niet meer in de bijrijdersstoel.

Vreemd, dat je kaarten kon lezen, terwijl het een tekening was en tekeningen bekeek je toch vooral. Ik kon best een kaart bekijken, dan zag ik lijntjes en groene vlakken en plaatsnamen van plekken waar we nog nooit naartoe waren gereden. En ik kon aanwijzen waar wij woonden, ongeveer. En waar papa woonde. Ik zat er dan altijd maar een heel klein beetje naast.

Ik had trek, papa zei dat ik in de koelbox mocht kijken. Thuis hadden we alleen een koelkast, maar dit was veel handiger. Handzamer ook. Als we die thuis zouden hebben zou ik overal en altijd iets te drinken kunnen pakken, en dan was het nog koud ook. Ik begreep eigenlijk niet waarom mensen nog koelkasten zouden hebben, als je ook een koelbox zou kunnen kopen. Het zal wel heel duur zijn.

Ik koos een eitje, papa wilde er ook een. Thuis hadden we nooit eitjes in de koelkast. Alleen eitjes die nog niet klaar waren. We pelden de eitjes, de schilletjes gingen in de asbak tussen papa en de kaart in.

Daarna zaten we aan een terrastafel in Madurodam, met koele boterhammen met allerlei beleg. We zaten in de schaduw, het was dus zomer. Ik vroeg wat het verschil was tussen een kauw en een merel. Ik kan me zijn antwoord niet meer herinneren, maar wel dat ik uitbundig heb geknikt en onder de indruk was, hij gaf een heel goed antwoord. Ik haal ze nu nooit meer door elkaar.

Pa’s lunch

Bij papa in de winkel kreeg ik een soort van witbrood, alleen heette het maisbrood. Ik vond het een soort van witbrood, want het was wit en smaakte helemaal niet naar mais. Ik mocht ham, kaas en mayo op mijn witte boterham, als ik dat wilde.

De muziek stond hard, en de asbakken zaten altijd veel te vol. Met de mensen aan de toonbank kon je nooit kletsen, die hadden grote gele koptelefoons op, dus die hoorden je toch niet. Papa lachte altijd heel hard.

Ze kwamen bewakingscamera’s ophangen boven op de eerste verdieping van de winkel, zodat papa beneden kon zien of er boven iemand CD’s ging stelen. Ik stelde mij voor dat hij dat op de enorme grijze beeldbuis zou zien en dan naar boven zou stormen, de dief onder zijn arm naar beneden zou slepen en hem de deur uit zou gooien.

Ik stond naar de beeldbuis te kijken met papa, terwijl Mischa met zijn lange haren en Nirvana t-shirt boven naar de camera zwaaide. Ik riep dolenthousiast dat hij naar beneden moest komen, omdat hij op televisie was. Papa lachte heel hard. Ik snapte het niet, maar vond het wel stoer dat ik iemand kende die op televisie was.

Toen de dief veel later uiteindelijk echt kwam was mijn papa aan het slapen en kon hij de beeldbuis helaas niet zien.

De Titaan

Deze stukjes waren te lezen in De Titaan #7: sloop- en herstelwerkzaamheden.

Botox

‘Uw afspraak bij FaceMe is bij dezen bevestigd. FaceMe heeft strenge annuleringsvoorwaarden. Houdt hier rekening mee,’ knippert bovenin mijn schermpje. Ik wrijf restjes slaap en mascara uit mijn ooghoeken en voel aan mijn bonkende hoofd. Kon ik dat laatste flesje wijn maar annuleren. Ook mijn eigen lijf blijkt er erg streng in. Die annulering komt maar van één kant en gaat linea recta de toiletpot in. Ik strompel naar de spiegel en de me die ik daar moet facen is niet pretty. Eind twintig, en nu al lijntjes die niets verbloemen. Ik ben niet zo’n vijftiger die zich kleedt als een twintiger, maar een twintiger met het leed van een vijftiger. Lachrimpels en kraaienpootjes als minigeultjes voor tranen, verlopen make-up en verloren naïviteit.

‘Aan annuleringen zitten kosten verbonden. Bij afzegging betaalt u de helft van het vooraf afgesproken bedrag.’ Mijn oma drukte mij altijd op het hart nooit in dronkenschap afspraken te maken, banen aan te nemen, relaties aan te gaan, tatoeages te nemen, huisdieren aan te schaffen, van bank te wisselen, reizen te boeken of lippen te stiften. Een wijze vrouw, en ook zij was getekend door de jaren. De vouwen liepen van haar frons tot aan haar navel en weer terug. Maar ze droeg ze elk met trots, en een passende vleug kruim.

De aftakeling is begonnen. Ik voel de artrose mijn botten verteren en wurm mij nog met de gevulde tanden op elkaar in pumps en pornohakken. Met een beiteltje en een slijptol gaat de tijd door tot ik uit elkaar val. Die slijptol heeft zich nu voor het gemak in mijn hoofd geparkeerd en staat hier stationair te draaien.
Ik vond het hele mezelf facen vannacht blijkbaar zo’n opgave dat ik een consult heb aangevraagd. Een consult én een behandeling. Bij elkaar opgeteld hebben we online handjeklap gedaan op 198,- exact – voor maar liefst twee behandelzones. Dat is geen geld, dacht dronken ik, en ze handjeklapte er nog een laatste wijntje achteraan. Had dronken ik beter naar oma geluisterd, dan had nuchtere ik nu een stuk minder botox in mijn behandelzones gehad. Eén kraaienpoot maakt nog geen winter – laat staan het vermogen tot volwassen beslissingen.

 

 

Lofzang op de bouwers

Er staat een man naast een reusachtige zandberg. Hij heeft een oranje reflecterend hesje aan, een net iets te kleine gele werkhelm op zijn hoofd, en een – wellicht zwaar – smeulend sjekkie in zijn mondhoek. ‘Godverdomme Henk,’ bromt hij om zijn sigaretje heen, en hij tuurt in de berg zand.

Bouwterreinen zijn speeltuinen voor grote mensen. Het zijn speeltuinen voor de mannen die honderd uur per dag werken. Voor zij die geen wekker schuwen. Voor de mensen voor wie geen ijsvrij geldt, voor zij die met veertig graden toch nog de juiste blokken op de goeie plekken zetten. Ze zijn nog lang niet uitgespeeld, in de zandbergen van waaruit torens rijzen.

In een wereld waar alles stuk gaat, bouwen de Henks gestaag door. Zij zijn de wereld-klaar-makers. Zij staan op voor dag en dauw, zodat er al werk verzet is voordat ik op mijn fiets spring. Dan staat daar ineens een muur, die er gister nog niet stond. Dan zitten ze trots voor die muur, met een sjekkie en een broodtrommeltje. Ze bouwen de wereld, ook als er ondertussen een boel mensen bezig zijn deze af te breken. Zij leggen geen bijltjes neer, voor niemand niet.

Ik stel voor dat we de haakse slijper gaan omarmen. Laat hem klinken als een bloesemtuin vol tsjilpende merels. Als een harp in een mistige concertzaal. Laat ons standbeelden uit gronden stampen, van de mannen die ons laten wonen, laten werken, in gebouwen en onder daken. Fluit naar hun gloednieuw gebouwde muurtjes, zoals men fluit naar een wulpse jongedame. Fluit, bewierook en trompetteer al je lof. Omdat in jouw wekker geen zes voorkomt. Omdat je de machines slechts van een afstand hoort. Omdat plastic werkhelmen je kapsel zo in de war schoppen. Omdat zij de avond van tevoren hun broodtrommeltje al klaar hebben staan. Omdat jouw vakantie niet zo kort is dat ze er een aparte naam voor hebben bedacht. Omdat zij blijven bouwen, de wereld klaarmaken voor ons en voor alle komende generaties, nooit iemand buiten sluitend.
Een toost! Op de wereld-klaar-makers! Op Henk! Waar hij ook moge wezen.

 
http://titaan.nu/product/de-titaan-3-4197422