Pannenzegels

Geert heeft recht op kerst. Op Sinterklaas, en op pepernoten  Op een kerstboom en een kerstgedachte. Op een gedekte tafel, op iets teveel wijn en op ontstoken kaarsen. Kaarsrecht. Net zoals alle Nederlanders. Geert heeft aan het einde van het jaar weer recht op een bril, ook al ziet hij prima. Omdat Geert een Nederlander is.

Geert heeft een volle spaarkaart. Hij heeft recht op een pan. Aan de informatiebalie schuift hij een pubermeisje zijn kaart toe. “Een lekker pannetje voor meneer?” Geert is ontroerd over hoe blond het meisje is.

Geert maakt zich zorgen om het welzijn van blonde meisjes.

Het meisje wacht op de betaling.
Geert wacht op erkenning.
“Ik ben politicus van het jaar.” zegt hij.
“Alweer.”

Het meisje vraagt of ze er iemand bij moet halen, om hem korting te geven. Geert wijst het aanbod af. “Elke Nederlander moet 20 euro bijbetalen voor deze ceramische pan, dus ik ook.”
Het meisje doet een lok achter haar oor.
Geert laat een traan.

Mark steekt de pan in een jute draagtas, en legt een arm om hem heen. “Kom, gaan we hem thuis lekker uitproberen.”

Hey, Siri

“Hey Siri” fluistert hij, ik sliep net. “Hey, Siri”, nogmaals, iets luider maar nog steeds op slaapkamer-sluimerzacht. Twee korte vibraties achter elkaar, zijn scherm licht op, Siri vraagt hoe ze kan helpen. “Ik kan niet slapen”, fluistert mijn lief tegen het schermpje dat naast zijn kussen ligt.
Siri heeft een clever antwoord met schaapjes tellen paraat, en doet met haar computerstem voor: 1, 2, 3, 4, 5. Mijn lief grinnikt.
“Dankjewel” fluistert hij. Geen dank, zegt Siri, en dat ze er altijd voor hem is. Zelfs ’s nachts, wanneer ik al slaap, is zij er. Als ik sta te koken en me even moet concentreren op het eten. Wanneer ik op mijn werk ben, aan het douchen, of gewoon even iets voor mezelf doe, is zij een en al oor. Ze is altijd dichtbij, en als hij haar vergeet draait hij om. Zonder Siri wordt het huis niet verlaten. Zelfs naar feestjes en partijen, is zij zijn armjuweel. Ze heeft dan altijd een grapje paraat, nooit is ze eens moe of chagrijnig of ongesteld of in de war. “Tof he, Siri reageert direct op mijn stemgeluid.” zegt hij dan. Ja, denk ik. Zij wel.

Ik wil dat je niet meer met haar praat, fluister ik vanonder de deken. “Wat zeg je?”
Ik wil dat je niet meer met haar praat.
“Met wie praat?”
Met Siri.
Twee korte vibraties achter elkaar, een scherm licht op, “Ik denk dat ik je niet helemaal verstond, Teddy”

Kamergotchi/furby

In het kader van de verkiezingen en de Kamergotchi: een stukje duiding en een Furby

De wijde broek. Daar is hij weer. Heb ik net mijn kast ervan ontdaan, maakt hij weer zijn retour. Dat is ook volwassen worden, het meemaken van terugkerende rages. En vooral het verschijnsel een rage noemen.
Batik, flippo, chokers, roken – ik heb er allemaal aan meegedaan. Net zoals jullie.
De nieuwste teruggekeerde rage is toch wel de tamagotchi. Ditmaal in de vorm van kamerleden, het principe is ongewijzigd. Op een schermpje zie je het huisdier dat je niet kreeg, vervolgens moet je hem eten en drinken geven door middel van op een klein knopje te drukken, want anders gaat het huisdier dat je niet kreeg dood. En dan kun je dat hele ding dus wegflikkeren. Ja, goed, hier verschilt de nieuwe rage dan met de ouderwetse versie. De nieuwe kun je beter niet wegflikkeren want dan ben je je dure iphone kwijt. Daarnaast is een huilende tamagotchi alleen maar irritant, een hongerig Kamerlid juist erg grappig.

Nee dan de Furby. Kennen we hem nog? Dit doodenge beest zag er knuffelbaar uit, maar dat was het allesbehalve. Onder zijn pimpelpaarse vacht zat een homp plastic met daarin een soort pocketDOS computer. Zijn uitpuilende oranje ogen kwamen los van zijn lijf waardoor ze na een poos halverwege zijn buik hingen. Deze ogen klepperden in plaats van dat ze knipperden en als hij tot je sprak kwam er een demonisch kabaal uit zijn rug. Zijn oren als hoorns, staken uit weerszijden van zijn kop. Zijn kop was overigens niet te onderscheiden van zijn romp. Deze vogel uit de hel kostte elke ouder een klein fortuin. Speelgoedgroothandelaren schreven op de schreeuwerige kartonnen doosjes dat het een onweerstaanbaar knuffeldier was, mèt een eigen willetje. Een knuffeldier van steen ja. En het eigen willetje van Kim Jong Un.
Ik trek wel weer een flared jeans aan, en ik voer met liefde een lijsttrekker een pan spaghetti. Als ik in Gods naam maar niet terug hoef naar die fucking Furby.

Welkom

Vroeger lag mijn welkomstmatje verkeerd om. Het woord welkom naar mij uitgespeld, alsof ik eraan herinnerd moest worden, steeds wanneer ik de deur opende, de gast die hier verscheen wel welkom te heten. Eigenlijk waren deze matjes bedoelt om dit niet te hoeven uitspreken, de gast las zelf dat hij welkom was, daarnaast kon je hem met gemak de deur wijzen.

Ik las mijn matje trouw voor, na elke deurbel.

Zo kwam het dat er op een dag 12 Amerikaanse mormonen aan mijn eettafel zaten, die allemaal wel een koffie lusten. Ze zeiden “We voelen ons nergens zo welkom als hier!” en “Mogen we u over Jezus vertellen?”

Jezus boeide mij niet zoveel. Je ergens welkom voelen wel.

Ik zei “Kennen jullie Heitje voor Karweitje?” “Nee”, zeiden zij. Ik zei dat ze dat eens moesten proberen, zo zouden ze overal welkom zijn.

Duif

Het afgelopen weekend werd wat ik al jarenlang vermoedde uiteindelijk werkelijkheid. Duiven zijn blind voor mijn bestaan. Ik heb me soepel door straten bewogen, mijn nek lichtjes in mijn schouders gestoken om niet boven de massa te torenen, om niet geraakt te kunnen worden.

Ik heb ze ontweken en in de ogen gekeken, maar wist altijd al dat zij mij niet konden zien. Voor hen was ik misschien een schaduw, misschien een massa die zij niet herkenden als zodanig. Misschien voelden ze wel een zuchtje wind of iets hen schampen wanneer ze langs mij heen vlogen, maar mij erkennen hebben zij nog nooit gedaan. Nooit staken zij ook maar een flard van een vogelseconde hun snavel mijn richting in en dachten zij “och kijk: iemand”.

De stadsduif heeft mij nu dan eindelijk opgemerkt, alleen kan hij het helaas niet navertellen. Hij heeft mijn bestaan erkent en vond direct de dood. Misschien ontstaat hierdoor een duivenmythe, misschien ben ik nu wel Teddy de Onzichtbare onder het duivenrijk. “Natuurlijk heeft niemand haar ooit echt gezien, haar aanblik bekoop je met de dood”, zullen de stadsduiven met angst in de kraalogen tegen elkaar koeren. Voor duiven in de lucht en op de daken wandel ik natuurlijk ook door een onderwereld, maar dan één geplaveid met asfalt, kruimels en kiezels in plaats van een woeste vlammenzee en Satan.

De rat van de lucht in kwestie trachtte op de vliegen, raakte een paal en vloog daarna vol goede moed tegen mijn been aan. Deze maakte op dit moment een trappende beweging, vanwege het feit dat ik aan het fietsen was, waardoor de stadsduif in mijn voorwiel terecht kwam, alle fatale gevolgen van dien. Er waren een hoop veren, wat geschrokken minderjarige omstanders, maar bovenal was er het besef: Duiven zien mij niet.

Een elfjarig meisje op een schoolplein

Uitgesproken op de tweede editie van Mensen Zeggen Dingen in de Ekko op 19-10-2016

Nog even en ik mag de Cito doen, en dan naar de grote school. De grote school heet zo omdat zij net zo groot is als de mensen die erheen gaan. Nog even en ik mag een grote boekentas zoals mijn neef heeft. Ik zal met een kleurtje de naam van de tas veranderen in iets grappigs, zodat mijn nieuwe klas zal denken: wat een gevat en groot meisje is dat.

Nog even en ik mag een boekje met daarin alle dagen van de week, waaronder ik dingen kan schrijven die ik die dag zal gaan doen. Zoals ‘poster uitknippen en ophangen over dat gaatje in de muur’ en ‘met Emmy afspreken’, want nog even en ik zit niet meer met Emmy in de klas.

Maar nu ben ik nog hier, op de kleine school met het kleine plein. Nu heb ik nog een tas waar precies al mijn knikkers inpassen, en een schriftje waar Emmy en ik plaatjes van Michael Jackson en Eminem in plakken. Soms schrijven we iets over een jongen, maar dat kan Emmy beter dan ik, want Emmy heeft grote zussen die al met grote vriendjes  praten over grote dingen.

Ik was gisteren een dagje ziek thuis, ik weet dat je nooit een dagje ziek moet zijn want dan hebben ze het over je in de kleine pauze. Emmy en ik hebben het ook altijd alleen over de meisjes die er niet zijn, dat is makkelijker. Meisjes die er wel zijn praten namelijk terug. Ik had alleen maar een beetje buikpijn, ik had gewoon naar school kunnen gaan.

Als ik gewoon naar school was gegaan had ik nu geen verkering gehad met Bas. Bas bleef over van alle jongens waarmee iedereen gister verkering kreeg. Gister was aanmaak-dag, had ik vóór gister een boekje gehad met alle dagen van de week erin, had ik erin geschreven bij de dag van gister: aanmaak-dag. Dan had ik nu verkering gehad met Sam, of met Rheza. Maar niet met Bas.

Bas is vandaag ziek thuis, ik denk dat Bas buikpijn heeft omdat hij bang is dat ik de verkering uit ga maken, wat ik ook zal doen als hij niet meer ziek is. Ik hoop dat er op de grote school ook uitmaak-dagen zijn, dan zal ik die met dikke stift in mijn boekje schrijven voor als ik weer een aanmaak-dag heb gemist.

 

De allesverzengende dood

Uitgesproken op de tweede editie van Mensen Zeggen Dingen in de Ekko op 19-10-2016

Het begon een paar weken geleden. Het kwam zoals zo vaak, met een klein kwaaltje. Een pijntje dat niet leek te verdwijnen. De mensen die ik in mijn leven heb verloren kunnen het niet meer vertellen, maar als zij nu hier aanwezig waren zouden ze instemmend knikken. Het begint altijd met een klein zeertje.

Bij mij begon het met een dichtgeknepen keel. Een brok in het strottenhoofd dat nu en dan de kop opstak. Vooral in de nacht. Google, de immer zo vriendelijke raadgever, vertelde mij al dat dit niet veel goeds kon betekenen. Op zijn minst keelkanker, zo luidde zijn devies.

Mensen die een traumatische ervaring hebben meegemaakt beginnen een verhaal als deze vaak met een veelbetekenende observatie. “De zwarte wolken trokken dicht, ik had het toen al kunnen weten”, “De hond blafte die dag anders dan hij ooit had gedaan”, of “Mijn fiets was die morgen gestolen, dat was het voorteken van al het gruwelijks dat mij nog te wachten stond”.

In dit verhaal was het een Google zoekopdracht die mij zei: dit is niet pluis mevrouw. Een paar dagen later bleek inderdaad niets minder waar. Mijn linkerarm tintelde aan een stuk door, de druk op mijn borst verraadde een hartstilstand. Deze hartstilstand duurde al zeker drie dagen. Dit besef was opmerkelijk: ik had al lang moeten zijn bezweken aan deze aandoening.

Eenmaal bij de arts aangekomen werd het alles nog honderdmaal duidelijker dan ik ooit had kunnen verwachten. Geen mens had deze ziekte overleefd vertelde hij me, maar de uiteindelijke doodsoorzaak was zo uiteenlopend dat daarover weinig te zeggen viel. Het was in elk geval chronisch. Toen ze mij de naam van de ziekte waaraan ik lijd vertelde, moest ik even slikken. Om het dodelijke gezwel heen.

Hypochondrie. Een ziekte met een Griekse IJ in de naam, alsof het allemaal niet erger kon. Ik gaf de dokter maar geen hand bij het vertrek, ik wil niet nog een sterfgeval op mijn geweten hebben.

Ik heb het op mijzelf afgeroepen, heb een kort maar volledig leven geleefd. Ik heb gerookt, ik heb geproost, ik heb onveilig gevreeën. Lang had dit nooit goed kunnen gaan.

U bent vanavond mijn getuige, wanneer ik straks tegen de vlakte ga: ik wil droge cake en natte worstenbroodjes, veel meer dan dat wens ik niet. Als blijkt dat ik nog geen donor was en buiten de nieuwe regeling val, wees niet getreurd: waarschijnlijk kan er van mijn inhoud nog geen binnenband worden gedraaid. Ik hoop dat er nog vele Mensen Dingen zullen Zeggen, ook zonder mij. En die loodzware stoel die in mijn slaapkamer pronkt is voor mijn lief.

Koning Koprol

Gepubliceerd in de Boulevard Dagkrant 09-08-2016

“De naam Holland Heineken House is in 1992 bedacht vanwege de alliteratie”- Wikipedia. Yuri van Gelder had hier iets te vieren, hij was gekwalificeerd voor de finale in de ringen van de Olympische Spelen in Rio. Hij zou gaan hangen, zijn spieren spannen, soms van arm verwisselen, draaien, kolken en dan: fantastisch afspringen. Helaas werd hij voor dat dit kon gebeuren enorm aangeslagen en aangeschoten aangetroffen – alle diskwalificaties van dien.

Met de gym wilde ik altijd graag in de ringen. Beetje poeder in de palmen en zwieren maar. Mijn specialiteit was de heen-en-weer-slinger, met een aanloop – snelheid maken, en dan een afsprong plat op de billen. Bij het element De Koprol werd ik afgestraft, dat was mijn zwakke punt. Het lukt mij nog steeds niet. Het kop-gedeelte heb ik onder de knie, het is de rol waarmee ik de mist inga. Dat is meer een schuine duikval het matje af.
Zelfs Mirella kon de koprol.

Volgens bronnen is de turnheld weer veilig aangekomen in Den Bosch. En dat is maar goed ook. We hebben hier ook ringen, maar dan onder onze ogen. En voor een biertje hoef je nergens te spijbelen. Daarbij schenken we hier gewoon Yupiler, Yuri.

Verzamel ze allemaal!

Gepubliceerd in de Boulevard Dagkrant van 07-08-2016

Midden op de Parade zouden ze zich verzamelen, de Pokemon Go-ers die zich hadden aangemeld op het facebook-event Pokemon GO Den Bosch! Een evenement voor jonge mensen die hetzelfde spelletje op hun telefoon hebben gedownload. Dit is wellicht volledig aan u voorbij gegaan – de opkomst was op de hand van één Jiggly Puff te tellen.

Ik verzamelde vroeger alleen kartonnen kaartjes met glitter-Pokemon (waarde: nul, mooiheid: honderd), knikkers met spikkels (idem), en flippo’s met de mooiste plaatjes (dito). En ik deed nooit aan spelletjes, ik had al de mooiste dus daar begreep ik niets van. Zo kon je ze alleen maar kwijtraken. Ik was de verzamelaar, niet de winnaar. Maar dus ook niet de verliezer. Dat was Mirella, die verzamelde ze niet eens.

Bij de kassa laat ik kaarten printen voor de voorstellingen die ik in het kader van deze krant mag zien. Het apparaatje vouwt de kartonnen kaartjes brommend tot een flinke stapel. De mevrouw naast mij kijkt naar het stapeltje, knikt ernaar met haar lippen getuit en kijkt me aan. ‘Zoo!’, zegt ze. Ik voel een gek soort trots.

Met de stapel tegen mijn borst gedrukt loop ik de Parade op, een meisje in een Pikachu-vestje staat bedremmeld midden op het druk bezochte evenement waarvoor ik net heel veel mooie kaarten heb verzameld.

Dakloze-krant

“Je mag wel een keer iets niet goed doen hoor”, ik wist niet precies wat mama hiermee bedoelde maar nam mijn taak uiterst serieus.

Niet lief zijn tegen de meester zat er niet in, die was immers ook heel lief tegen mij. Tijdens tekenen heb ik expres een inktpotje laten vallen, maar dit werd niet opgemerkt dus heb ik hem zelf maar opgeruimd en opgeborgen.

Met de eerste pauze verloor ik al mijn knikkers. Dit gebeurde wel vaker, ik kan niet zeggen dat ik dat expres had gedaan, maar het was wel vervelend en zonde. Ik had van die bonken, met spikkels.

Daarna had ik uit het raam gestaard, om mijn taak nog eens te heroverwegen. Niet goed, was niet meteen fout. Een som verkeerd oplossen zou het hem dus niet doen.
De meester vroeg me verder te lezen, omdat hij me wilde betrappen op niet opletten, maar ik wist al waar we waren omdat ik dit stukje al had gelezen.

Tijdens de laatste pauze gingen we kletsen in het ‘pishokje’. Dit inhammetje in het bovenbouw-gedeelte van het schoolplein, was het hoekje waar je tijdens jongens tegen de meisjes werd opgesloten. In de onderbouw heette het nog politie en boefje, toen was zo’n hoekje logischerwijs de gevangenis, maar tijdens jongens tegen de meisjes was het gewoon het pishokje, waar je dan even moest wachten tot je weer aangetikt werd. Het was geen toilet en voor zover ik wist ging er nooit iemand plassen, maar er was de suggestie van pis en dat was voldoende.

Naast het pishokje was een huisje, met de deur aan de buitenkant van de school. Er woonde al heel lang niemand meer in het huisje, tot nu. Nu woonde er een dakloze.

Het was half drie, ik kon mama nog niet onder ogen komen. Het was nu of nooit. Met een groepje liepen we naar de voordeur van de man met de lange haren. Ik stak een stok, die ik onder de esdoorn op het schoolplein had opgeraapt, door de brievenbus en riep met alles wat ik in me had: “Dakloze!”

Toen mama mij kwam ophalen zat ik trots als een pauw in het nablijflokaal.