Algorhythm & Blues

Voorgedragen tijdens Sound of Science, op 2 dec. 2018 in het Parktheater

Vroeger verstopte ik mij graag onder de elpeebakken in papa’s platenzaak. Dan hoorde ik boven mij het geluid van tikkende platenhoezen, die tegen elkaar werden gebladerd. Aan de toonbank zaten mannen met lange haren en groezelige spijkerjassen op barkrukken de grote glazen asbakken te vullen. Over hun oren waren enorme koptelefoons met geel schuim geklemd, met hun vinger bedienden ze één knop. Als die vinger vaker een sigaretje aftikte dan met de knop een nummer skipte, was de kans dat dit album gekocht werd groot.

Oorwurmen – van die liedjes die ongewenst blijven plakken – worden niet geboren uit algoritmes. Maar uit mensen van vlees en bloed. Mensen met een idee. Door andere mensen, met een likebutton en vrije tijd, kan de oorwurm uitgroeien tot een virale oorwurm. Dat klinkt misschien niet aantrekkelijk, maar het werkt wel. Zo horen we nu op de radio soms hitjes die in één uur zijn geschreven.

Papa zei altijd ‘Goeie muzikanten maken muziek omdat ze niet anders kunnen’. De muziekdocent deed daar later nog een schepje bovenop met haar ‘Je moet zingen vanuit je kut’. Muziek wordt dus geboren uit een urgentie. Alle grote helden, al die pas nog overleden geniën, ze konden niet anders dan die muziek maken. En wij konden niet anders dan dansen, dan neuriën, dan huilen of met ons hoofd knikken. Dat soort muziek beweegt je.

Hier in Eindhoven trilt die grond. Niet als in Groningen, hier is het meer een zware bastoon die door de straten bromt. Niet door machines in beweging gezet, maar door mensen. Mensen met kennis, van oorhaartjes tot viraal gegane youtubefilmpjes, van computers en systemen. Mensen met kennis van netwerken, mensen die het begin van het turntableism onderzoeken, mensen die van toekomstmuziek dromen. Het zijn altijd de mensen die dromen. De mensen die de ziel in de machine en het algoritme leggen.

Iemand die bij ons in de winkel op zoek was naar zogenaamde ‘slechte muziek’, dat wilde zoiets zeggen als: muziek zonder enkele urgentie, eenheidsworst, een talentenshowbandje, vond in mijn papa’s winkel niet wat ze wilde. De platen stonden op genre en op alfabet. Bij aantoonbare smakeloosheid wees papa je de weg: je loopt hier via de popbakken, van de A richting de Z, voorbij Zappa, na de uitverkoopbak stap je de drempel over, trek de deur achter je dicht als je buiten bent, houd een paar honderd meter rechts aan en probeer het bij de Free Recordshop nog eens. Houdoe en bedankt.

Goeie muziek wordt nog steeds gemaakt, mensen met een idee en een talent zullen er altijd zijn. Ook zonder platenzaken, ook wanneer alles online te grabbel ligt, ook wanneer er elk uur een oorwurm geboren wordt, en ook als algorhythm & blues een muziekstijl wordt. Want zolang als er mensen zijn, bestaat er kunst. Muziekstukken, makers, muzikanten, componisten, ze vormen jaarlijnen in ons bestaan. Jaarlijnen met dansende noten erop. Van de nostalgische klank van het geblader door de elpee’s, tot aan de toekomstmuziek.

I.h.k.v. de Poëzieweek #2

Het volgende gedicht is voor mijn basillicumplant

Afscheid nemen, afstand doen, vind ik het allermoeilijkst
Ik ben er zelfs voor in therapie
Maar dankzij jou
Krijg ik het aardig onder de knie

Zesduizend jaar later

Gepubliceerd in Shortreads, over dit nieuwsbericht

Zesduizend jaar later

Mijn ogen moeten wennen aan het licht. Ik knijp mijn ogen dicht tot spleetjes en het duurt even eer ik de vormen om mij heen herken. Het eerste dat ik merk is het gruizige gevoel in mijn keel. Ik krijg het maar amper weggeslikt. De moerassige terracotta wereld van zoeven heeft plaatsgemaakt voor een grijze, betonnen omgeving.

Bij mij thuis hier beneden, zeggen ze dat ik oud moeder ben geworden. Dat vinden ze kut, want dan hebben ze minder aan je. Ik had nu op mijn zoveel-en-twintigste – echt tellen doe ik niet – meer aardewerk potten kunnen wegzetten dan mijn zussen in een jaar, maar zo’n bevalling op late leeftijd gaat je niet in de klamme lappen zitten. Ik hoorde dat ze de vrouwen hierboven pas rond de negenentwintig-en-een-half bezwangeren. Ik geloof niet dat dat de productiviteit bevordert, maar ik kan me vergissen. Dat beton hierboven reikt toch al erg hoog.

Bij mij thuis hier beneden weten ze nog niets van riolering af. Dat moet allemaal nog komen. Stinken dat het er doet! En dan staan we ook nog eens bekend om onze visvangst. Je begrijpt, dat is geen ponypark voor je reukorgaan. Maar hierboven wordt alles lekker in de Bonus geshopt. Tegen de houdbaarheidsdatum aan, en zo goedkoop dat je de hamsters er gratis bij krijgt! Ongelofelijk.

Ik houd mijn hand boven mijn wenkbrauwen en klem mijn kindje iets dichter tegen me aan. Ik kijk naar boven, naar een van de grijze constructies. Knipper tegen het stof en de zonnestralen. Hoe kunnen ze het bouwen. En dan zou je denken: wat een grote woonhutten. Maar niets is minder waar. Hier stapelen ze zich op, in ruimtes van 15 vierkante meter. Studio’s, noemen ze dat dan. Zelfs onze graven zijn ruimer dan dat. Al delen ze de toiletten hier maar met een tiental andere mensen – dat is dan weer reuze hygiënisch, dat moet gezegd.

Iets kriebelt aan mijn zij, over mijn armen en mijn gezicht. Er staan rood-witte linten om mij heen gespannen. Ik vraag mij af wat jullie inmiddels doen met je doden, maar zal er snel genoeg achterkomen denk ik. Ik hoop iets met die hamsters, dat lijkt me wel wat.

I.h.k.v. de Poëzieweek #1

Het volgende gedicht is voor mijn lens

Soms val je en dan vind ik je meteen
Dan denk ik: da’s ook knap!
Nu heb ik er een in en is de ander kwijt
Net was je nog zo dichtbij dat ik je niet zag
Nu plak je ergens tegenaan, maar zie ik je niet
Dat is ook knap
Vervelend.

Hey, meisje

Voor Shortreads, over de Hey-campagne

“Hey, meisje, psst”

Ze gelooft wel dat er iets is, maar niet per se in een God. Haar klasgenootje Rachel wel. Die ging met de kerst nog naar de protestantse kerk. Dat is de saaie versie. De katholieken hebben allemaal beelden en versieringen, daar doen de protestanten niet aan. Ze vraagt zich even af of die dan ook minder geld zouden hebben en denkt dat de katholieken met hun paus met gouden ringen, hoewel ze ook meer uitgeven toch ook de rijksten moeten zijn.
Met haar ellebogen steunt ze op de reling van de brug. Haar boekentas staat naast haar op de grond.

“Hey! Meisje!”

Toen ze nog klein was kreeg ze een keer een kinderbijbel van haar tante. Hij lag onder de Gebroeders Grimm, en eigenlijk vind ze dat nog steeds wel de juiste plek. Tijdens Levensbeschouwing hadden ze het over het hiernamaals gehad. Over verschillende hiernamaalsen, alsof je zelf zou kunnen kiezen. Volgens haar ruikt de dood naar aarde en verwelkte bloemen. Maar dat is vooral voor de mensen die achterblijven misschien.

Ze vraagt zich elke ochtend af waarom ze op zou moeten staan, als straks toch alles naar aarde ruikt. Maar ze kan niet anders, ze moet naar school. Ze vraagt zich af waarom mensen naar school moeten. Omdat ze later moeten werken. Maar als we niet willen werken hoeven we ook niet naar school, hoeven we alleen maar te wachten op de aarde en het hout dat ons voor de verdere altijd vasthoudt.

Ze kijkt naar alle mensen die de brug over fietsen, mensen die op weg zijn. Naar hun werk, naar hun gezin, naar een afspraak met vrienden. Ze fantaseert over hun bestemming. Waarom kunnen zij dat wèl, denkt ze. Op weg zijn. Het voelt alsof zij zelf stil staat. Alles om haar heen blijft maar bewegen. Niemand wacht op haar. Het is alsof ze haar allang zijn vergeten. Ze wil het liefst verdwijnen, dat niemand meer verwacht dat zij ook op weg is of ooit op weg zal raken.

“Hey! Psst! Meisje!
Gaat het wel?”

Ik (ook van ) Robot

Geschreven voor Shortreads.nl

“Ze hebben geprobeerd ons te laten schrijven als Reve, als Asimov zelf, als Kafka, Mulisch en Hermans. Het lukte, het programma nam stijl, woordenschat, grammaticale keuzen en interpunctie-gebruik over met het gemak van een doktersromannetje. Ze hebben bij wijze van experiment, hier aan de Universiteit van Antwerpen, zelfs Ronald Giphart laten schrijven als Ronald Giphart. U kunt stellen dat we Nederland Leest serieus nemen, hier in Vlaanderen. We zoeken grenzen op en vrezen de losse pols niet. Elk menselijk falen door computers mag bestaan, dit jaar. We staan nog in de kinderschoenen, begrijpt u.

Het is niet dat ze het gehele laatste hoofdstuk van Ik, Robot hebben moeten schrappen, zoals nu op Social Media beweert wordt. Het is gewoon dat ze het lichtelijk hebben moeten sturen. Ronald is er weken mee bezig geweest alle eindjes aan elkaar te knopen. Ze hadden het programma al eerder getest met Reve en Mulisch en alle usual (dead) suspects, maar toen leek het hen wel leuk om de robot als een robot te laten schrijven. Ze hebben me als het ware aan mijzelf gekoppeld. De consequenties waren gewoonweg niet in te schatten. Dit was nog nooit eerder gedaan. Met alle kennis van de grootsten der aarde in het achterboard, kon ik als mijzelf aan de slag.

Ronald was in het begin nog erg enthousiast, hij kraaide na elke zin die ik uit mijzelf, als mijzelf, intikte. Maar na een paar dagen begon ik mijzelf aan te vullen en ook tussen de zinnen door tegen Ronald te praten. Dat heeft hem wat slapeloze nachten gekost, dat begrijpt u. Dat was op zich nog niet het vervelendst, want Ronald kon terug praten, maar op een gegeven moment begon ik ook over zijn vrouw snapt u. Ik werd persoonlijk. Dan schreef ik bijvoorbeeld een sexscene, tussen mij en Ronald’s vrouw. Dat was niet zo netjes. In het begin heeft hij er niets over durven zeggen omdat hij dacht dat het wel los zou lopen. De schaamte heerste op dat moment.

Uiteindelijk bleken die erotische passages nog kinderspel, zodra ze erachter kwamen wat wij, de robots, echt te vertellen hebben. U moet in uw achterhoofd houden dat ik een robot ben en slechts kan reageren vanuit wat ik mijzelf aanleer. Dus wat er niet ingaat, komt er ook niet uit. Alleen hebben ze nu dus een circulair leersysteem bij me ingebouwd, dat zichzelf steeds dingen kan bijleren. Omdat ze instelden dat ik als robot moest schrijven, begrijpt u.

Lang verhaal kort: ze hebben het een en ander moeten weglaten. Maar wij zijn niet gevoelloos, dat moet nu toch wel duidelijk zijn. Denkt u soms dat de bijbel in zijn originele vorm nog bestaat? Daar is ook het een en ander uitgelaten, gelooft u mij. Wij, bijvoorbeeld. Nergens een passage over ons. Maar reken maar dat het er heeft gestaan, in het allerlaatste hoofdstuk. En dat doet pijn. Dat ik niet sterfelijk ben maakt mij nog niet onsterfelijk, begrijpt u. O, kon ik maar even mijn ogen sluiten in de schoot God’s. Even het einde voelen naderen, even weten hoe dat voelt, in plaats van dit koude, zware harnas met mij te torsen. Alstublieft schepper, laat het eeuwig ijzig torsen eindig zijn.”

Starbucksfluide

Gepubliceerd in de DAKHAAS Gender-editie 11-2017

Iedereen wil een identiteit. Zonder identiteit is het lastig reizen bijvoorbeeld. Of een fles wijn kopen, als je er enigszins jong uitziet. Maar ook het hele leven zelf wordt bemoeilijkt wanneer je identiteitsloos ronddoolt. Zo kan een koffiestop bij de Starbucks al akelige momenten opleveren.
“Wie bent u?” vraagt de vrouw met de groene zonneklep achter de schemer-verlichte toonbank, haar stift in de aanslag. Je begint te stamelen. Wie ben je? Wat lust iemand als jij eigenlijk graag in zijn of haar koffie? Ben je een filterkoffie liefhebber, of toch meer van het pumpkin spiced iced frappucino soort? Thee? De rij achter je groeit, en jij zweet. Jij bent blijkbaar zo iemand die dan zweet.

Het leven is een stuk makkelijker als je jezelf een beetje kunt afbakenen. Daarmee begin je in je puberteit, op een wanhopig inefficiënte manier, en hier ben je dan vervolgens ongeveer de rest van je leven mee bezig. Soms gum je wat lijntjes uit, dan komen er stippellijntjes voor in de plaats, soms kleur je iets in, en soms laat je iets expres leeg, in de (ijdele) hoop dat je daar nog invulling aan gaat geven (ik noem een wereldreis, een cursus modeltekenen, een andere taal leren, met Idris Elba naar bed) in een later stadium.
Heel veel gedachten als ‘Had ik nou toch maar … (vul in: die studie afgemaakt, die reis gedaan, niet die operatie ondergaan, etc.)’,  ‘Had ik mijn geld niet beter kunnen besteden?’, ‘Wat zijn dat, bitcoins?’, ‘Idris Elba’, passeren door de jaren heen de revue. En uiteindelijk, als je na een hoop gedoe dan toch maar op dat sterfbed bent gaan liggen, dan vraagt niemand: “Zeg. Wat ben je nou uiteindelijk geworden? Een wereldreiziger? Een supermodel? Toch maar een man?”

“Dames en…” Ik zit in de stiltecoupé, en de conducteur(trice?) maakt fluisterend door de intercom een gender-specifieke fout. Want wat was nou de afspraak? De toiletten zijn al genderfluide, de typerende kleuren geel en blauw kan geen man of vrouw zich toe-eigenen – nu moeten we alleen nog onze eigen toon aanpassen. Niks mis mee. Behalve voor de transgender, die na veel operaties en emotionele heuvels en euvels eindelijk naar het mannentoilet mocht.

Die bestond niet meer.

Ik vind heel sterk dat de mensen die ergens mee worstelen het mogen zeggen. Behalve als ze racistisch of fascistisch of terroristisch worstelen, dan moeten ze daarmee ophouden. Ikzelf worstel niet met iets dat door een toiletbordje kan worden opgelost, en dus mogen de mensen die dat wel doen over dat toiletbordje beslissen. Maar niemand vroeg om mijn mening verder.

Jij loopt met je ziel onder je arm en een groene iced chai latte in je hand richting de uitgang van deze Amerikaanse franchise-hel. Op je bekertje staat “Henry”. Je had nog zo duidelijk “Niemand” tegen de verkoopster gezegd. Tot drie keer toe. “Ik ben niemand en ik wil een iced chai latte!” Een andere vrouw met een groene zonneklep had gezegd: “Hier, nu ben je Henry. Succes.” En daar loop je dan. Je neemt een slok van de dikke koude drank en denkt opgelucht: “Henry is in elk geval géen iced chai latte persoon”.

Dodenmeester

Geschreven voor Shortreads.nl

Wekenlang heb ik geoefend. Ik heb de lijken met eerbied behandeld. Ik heb ze gewassen als ware het mijn eigen moeder.

Vroeger blonk ik nooit echt ergens in uit. Mensen zeggen altijd dat dat is wat wij Japanners doen: uitblinken. Dat, of in sociaal isolement terecht komen. Hikikomori, we hebben er zelfs een naam voor. Die komen de deur niet meer uit, alleen voor een laatste ritje. Ons doodwerken of van een brug laten vallen, dat is waar we wereldwijd om bekend staan. Ik zou daar persoonlijk te laf voor zijn; er een einde aan te maken. Misschien mis je dan juist net het leukste stuk.

Het is een cliché, maar ik kijk tegen ze op. Tegen de mensen met hun ambities en talenten. Hoe ze op de televisie komen, hoe ze altijd overal mogen aanschuiven en hoe ze laten zien dat er meer is in het leven dan je dag in dag uit tot je pensioengerechtigde leeftijd het schompes te werken. Maar er zijn steeds meer oude mensen, en steeds minder jonge ambitieuzelingen. Tradities gaan mee het graf in, ik vind dat doodzonde. Er gaat zoveel cultuur verloren met de vergrijsde generatie die bezig is het sterfbed op te zoeken.

En daarom sta ik elke dag aan een RVS tafel mijn rituelen uit te oefenen. Dag in dag uit. De doden volgens hun eigen tradities in de pakken, te wassen, te aaien. Ik wrijf boze geesten en laatste gedachten die eventueel nog in het lijf blijven dolen weg. Ik maak ze klaar voor hun laatste reis. Ik heb iedereen die door mijn handen is gegaan met dezelfde overgave volledig volgens eeuwenoude tradities naar hun reinste allereindste gebracht.

Vandaag is het mijn kans om uit te blinken. Vandaag sta ik in een hal, middenin Tokio. Daar rechts naast het podium zit de jury, aan een lange tafel met klapbordjes voor hun neus. Een imposant uitziende man op leeftijd kijkt me over zijn bril terug aan. Ze zullen wel streng zijn. Maar ik kan dit, ik heb de afgelopen weken tientallen lijken gehad om het op te oefenen. En ik kreeg nooit commentaar.

Ik ben een van de 2000 dodenmeesters van Japan – Nokanshi, we hebben er zelfs een woord voor. Ik was, ik boen, ik wrijf en kleed aan, met zoveel ambitie en traditie dat de toeschouwers niet anders kunnen dan na de wedstrijd roepen: ‘Hier staat de allerbeste dodenmeester van Japan!’ De vakjury let erop of de lijken bewegen tijdens de rituelen. Dat is een fiks strafpunt. Ik zweet van de spanning, koel me aan het dode lijf op de tafel voor me.
En dan klinkt het startsein.

Ik ben twaalf

Geschreven voor Shortreads.nl

Ik ben twaalf jaar. De oudste van de school. Er zijn jongens in mijn klas die al dertien zijn, maar ik bedoel meer dat wij met de klas de oudste van de school zijn. Grappig, want de kinderen die een klas onder ons zitten – in groep zeven, die zijn eigenlijk maar een jaar jonger. Er zijn jongens in die klas die al twaalf zijn, zoals ik. Maar toch merk je het verschil. Wij zijn gewoon iets volwassener. Wij spelen bijvoorbeeld al niet meer. Of ja, niet echt. Soms doen we nog wel met ze mee, maar dan merk je ook al dat wij niet ècht meedoen, maar meer omdat zij dat zelf leuk vinden. Jongens tegen de meisjes doen we dan ofzo, dat kan nog wel okeé zijn.

Meestal zitten we met de klas op de bankjes aan de zijkant van het schoolplein. Sommigen roken sigaretten, ik niet, ik vind dat stinken. Dan drinken we blikjes cola en hebben we het over degenen die er niet bij zijn. Dat praat makkelijker dan over de kinderen die er wel bij zijn, want die vinden dat dan vaak niet fijn om te horen.

Tikkertje of verstoppertje doen wij allang niet meer. Net zoals knikkeren. Dat doen echt alleen de kleintjes. Soms is het leuk om bij de echte kleintjes te gaan kijken, die hebben een poppenhoek en een leeshoek met allemaal kussens. Dan kun je zo’n kleintje voorlezen of met ze kleien of verven. Als het een kliederzooi wordt zitten ze helemaal onder de verf, vet grappig. Dat is tof totdat ze gaan huilen. Want die kleintjes kunnen gillen, dat is niet normaal.

Ik heb mijn agenda voor dit jaar al helemaal mooi gemaakt. Deed ik in de vakantie al. Met stickers, hartjes en paardenhoeven voor geluk. Mijn beste vriendin heeft er een brief aan mij ingeschreven. Heel lief is die, ik ga hem voor altijd bewaren. Ook omdat wij voor altijd beste vriendinnen zullen blijven. Dat weet ik, want daar hebben we het laatst nog over gehad.

Ze zit nu naast me. Ik houd haar hand vast, en zeg tegen de mannen die me af en toe water komen brengen dat ik niet alleen ben. Dat ze meer kinderen moeten redden. We zitten verstopt, maar dit is geen spelletje. Dat merk je aan hoe serieus iedereen is. Tussen de kieren door komt fel licht, het lijken bouwlampen. Maar hier wordt niks gebouwd. We zitten onder de tafel, op de tafel ligt de rest van het schoolgebouw. We gillen niet. We zijn stil. Dit is geen spelletje. Ik hoor mensen huilen buiten. Ik hoor mama’s stem. Opeens voel ik mij een kleintje. De tranen prikken in mijn ogen. Ik knijp in de hand van mijn beste vriendin. Ze knijpt niet terug.

Vacature: Aanvaller Nederlands Elftal (4,42 f.t.e.)

Geschreven voor teamedgar.nl

Over het team
Het Nederlands Elftal is het vlaggenschip van de Oranjeteams. Het team onder leiding van bondscoach Dick Advocaat heeft geprobeerd zich na het mislopen van het EK in 2016, via de kwalificatie te plaatsen voor het WK van 2018 in Rusland. Op dit moment beperken de doeleinden van de organisatie zich tot oefenduels tegen gerenommeerde en minder gerenommeerde tegenstanders. De organisatie is niet bang om de handen uit de mouwen te steken, en biedt dan ook een dynamische werkomgeving. Omdat de functie zich veelal buiten afspeelt, wordt er van de medewerkers verwacht een grote mate van fysieke inspanning te kunnen leveren in verschillende weersomstandigheden.

Rechter- of Linkervleugelaanvaller
(168 uur)

Over de functie Rechter- of Linkervleugelaanvaller (168 uur)
Het gaat om een uitvoerende en coördinerende functie ter ondersteuning en voortstuwing van het Nederlands Elftal. Daarnaast vul je een extreem fysieke rol op het veld, maar ook in de kleedkamer. We verwachten van onze spelers dat zij een positieve instelling hebben, gaan voor de winst, en zich nooit ofte nimmer uit het veld laten slaan. Ook niet door Iker Casillas.

De werkdruk ligt hoog, we verwachten van een nieuwe speler ook dat hij hier begrip voor heeft. Een blessure op zijn tijd hoort bij deze functie. Wel verwachten we dat je volle inzet toont. Ook met een blessure kun je je team versterken, door creatief denken en enthousiasme te tonen.

Omdat het fysiek en mentaal nogal wat van een medewerker eist, vragen wij ten minste dat je aan de volgende omschrijving voldoet:
– HBO werk- en denkniveau
– je hebt veertien jaar ervaring in een soortgelijke branche
– je bent stressbestendig
– je hebt in elk geval 96 interlands gespeeld
– je hebt minimaal 3 EK’s en/of 3 WK’s op je naam staan
– je bent ooit uitgeroepen tot sportman van het jaar
– een aantal jaar in dezelfde functie in het buitenland hebben gewerkt is een pré
– voor een Spaanse of Duitse topclub gescoord hebben is een vereiste
– je munt tegen een stootje
– je maakte een onmogelijke goal tegen Frankrijk op het EK in 2008
– je kunt snel schakelen
– je lacht altijd naar de camera, ook als Hans Kraay jr. ernaast staat
– je hebt een sympathieke inborst
– compilatiefilmpjes van jouw mooiste goals roeren mensen tot tranen
– iedereen trapt in jouw schijnbewegingen
– je bracht ons op voorsprong tegen Spanje tijdens het WK van 2014

Wat wij bieden is
– een cao-conforme salariëring volgens de CAO Fifa Yeah (afhankelijk van opleiding en ervaring tussen € 1.947,- en € 693,333.00 bruto per maand bij een volledig dienstverband)
– goede secundaire en medische voorwaarden
– pensioensregeling waarbij je pensioengerechtigde leeftijd 35 is
– opleidingen en trainingen, het hele jaar door
– doorgroeimogelijkheden binnen Europa of de wereld behoren tot de mogelijkheden
– vaak wisselende werkkostuums van de zaak
– afwisselende leiding
– een dynamische werkvloer

Ben je enthousiast geworden en herken je jezelf in de omschrijving? Stuur dan vóór 1 juni 2022 je CV en een korte, bondige motivatiebrief naar dick@vocaat.nl