TEKST | Hollen

Jij bent helemaal je eigen mens, althans dat zeg je zelf. Jij voelt je vrij en veilig tot aan waar je kunt kijken. Nu is dat de bosrand, aan het eind van de polder. Binnen is het tot aan de muren en het dak – nee, de zolder, en van voor- tot achterdeur. Veilig is iets dat je alleen bij jezelf moet kunnen voelen, zeg jij. Vroeger verhuisden we constant, nu woon je hier al het grootste gedeelte van mijn leven. Misschien waren die andere muren niet stevig genoeg. Ik kijk naar de flats die uit de bosrand steken en vraag me af of veiligheid wederzijds kan zijn.

Tijd is een streep in de lucht, zeg jij, een verzinsel van Professor Barabas, een komma, het bestaat alleen maar omdat anders alles tegelijkertijd zou gebeuren, en sinds het bestaat hebben we er al te weinig van. Net zoals geld. Net zoals geluk. We hollen erachteraan, we hollen tot onze voeten bloeden en we hollen onszelf uit. Achter schoonheid en liefde aan. Zijn rug verbloemt alles, en wij hollen verder en verder leeg.

En ondertussen zijn we hier alleen nu, op dit moment, een tijdsfragment. Een fractie van een fractie van een milliseconde van altijd. Wees in het moment! Roep jij. Het is nu! Maar nu is zelden zichzelf, bipolair, zo is nu nu al niet meer, en zo voldoet nu nooit aan onze verwachtingen van ooit, en dus drinken we, en dus vreten we ons vol, en dus kopen we en slopen we en hebben we lief en breken we af, stapelen we gedachte op herinnering op trauma. En daarom stapelkortingen, hamsteren, winter sales en vroegboekafprijzingsuitverkopen we.

En tegelijkertijd ben ik vergeten waar ik ophoud en waar jij begint. Van deze afstand, minstens minus één, voel ik jou veilig. Voel ik jouw veilig. Een groep ganzen trekt van achter de flats, over de polder tot over ons heen. Ze vormen zelf de pijl in de richting van hun nieuwe thuis. Daar zijn wij veilig, lijken ze te hebben besloten, in vogelvlucht. Het gakkende geluid dat met een trage doppler over ons heen komt doet me denken aan vroeger, aan de geur van bouillon en natte verf. Je kijkt mijn blik achterna. Ik ben zo benieuwd naar wiens mens ìk ben. 

COLUMN | Nader de Ander

Gepubliceerd in het magazine van Theaterfestival Boulevard op 16 – 08 – 2020

Ik weet het niet.

Laat ik dat voorop stellen. Ik weet niet hoe je je echt kunt in-leven in een ander. Weet jij dat wel? Wanneer is de laatste keer geweest dat je iemand anders’ emotie hebt gevoeld? Hoe voelde dat? Als een steek? Als een warme golf, vanuit je buik door je ruggenwervel tot achter in je nek? Daar voel ik het, denk ik.

Het voelt bij mij een beetje als een bal. Bij jou ook? Hij brandt soms als hij in mijn buik begint. Hij kruipt langs de buitenkant van mijn keel omhoog, zodat mijn keel ervan dichtknijpt. Soms komt hij helemaal van achter in mijn nek, aan het begin van mijn schedel, tot aan mijn ogen. Dan huil ik.

Soms nog voordat ik met mijn hersenen heb bedacht me in te leven, is de bal al naar mijn traanbuizen geschoten. Dan probeer ik hem nog weg te slikken, maar hij is allang voorbij mijn keel. Herken je dat? 

Wie heeft je voor het laatst aan het huilen gemaakt, door iets wat diegene je vertelde – met of zonder woorden, omdat je wist dat het die ander iets deed? Wanneer was je zo ontzettend trots op iemand dat de bal een ballon werd? Hoe ontsnapte die toen aan je? Uit je mond of uit je ogen? 

Ben je bang om iemand te verliezen? Of jezelf? Wens je wel eens dat je in iemand kon kruipen? Even iemands ogen kon lenen, zodat je kan zien wat diegene ziet of zag? Iemands herinneringen lenen? Of juist vooral even niet in je eigen lijf te zitten, even niet dat zieke / zware / verkrampte / onhandige lichaam te dragen? Even een andere huid aantrekken, met een andere kleur dan de jouwe? Ik zou dat wel willen. Ik zou me best wel eens bij jou thuis willen voelen. 

Ik zou wel eens aan jouw tafel willen zitten, jouw krant willen lezen, jouw slippers aan willen trekken. Ik zou wel eens jouw wasmiddel willen gebruiken – heb jij een eigen wasmiddelmerk? Je lijkt me iemand die dat heeft. Ik zou wel eens jouw paniek willen voelen, jouw schrik schrikken, jouw lievelingsherinneringen memoreren met een glas van jouw lievelingswijn, en jouw favoriete maaltijd proeven met jouw smaakpapillen. 

Ik zou dan – na een hele poos – weggaan en jouw angsten, pijnlijke botten, liefdesverdriet, al je akelige herinneringen in een tas doen en met me meenemen. Zodat jij weer aan die tafel kan schuiven, vrij van alles wat je tegenhoudt. Ik zou nog even blijven, achter de groenbak voor je deur. Kijken wat je als eerst gaat doen. Meteen naar buiten misschien, in je onderbroek. Ik lach je niet uit maar toe. Dans, in de regen liefst, in je onderbroek, met je lievelingswijn en je lievelingsmuts en met iedereen die maar mee wil doen, of je ze nu kent of niet. 

Ik weet niet hoe het moet. Maar ik zou best wel eens.

 

ESSAY | George de boomslak

2019 Begon met het uitsterven van de Hawaiiaanse boomslak. De laatste der Mohikanen heette George. Met George stierf niet alleen een slak met een mooiere naam dan menig fransman die hem op zijn bordje wenst, maar een hele diersoort. George was maar een klein stipje op een vlaggetje van de slinger uitstervelingen die wij aan het uithangen zijn, en ik vraag mij met elke krantenkop meer en meer af waarom George nooit in het nieuws is geweest. Goed, de laatste Hawaiiaanse boomslak is misschien geen voorpaginamateriaal, maar waren we niet allemaal, de hele wereld tegelijkertijd, in een grote allesveranderende crisis? Voordat wij bij bosjes aan de Covid bezweken? Hoe gingen we dat ook alweer aan onze kinderen uitleggen.

Op dit moment sterven er dagelijks soorten uit, de teller staat nu op de 635 uitstervende diersoorten per jaar. We zitten volgens wetenschappers (dat zijn die mensen waar we nu allemaal zo goed naar kunnen luisteren) in ‘de zesde golf van massa-extinctie’. Het golft net zo hard door als de koorts in de lijven van de coronapatienten.

Ik liep laatst met de vader (een van de twee, beide blijde wandelaars, inclusief verrekijker en/of vogelboek) op gezonde afstand door natuurgebied De Kampina, niet ver van ons huis. Een prachtig gebied dat zijn heides ziet verdwijnen, en beige vlassig gras ervoor in de plaats ziet komen. Vogels trekken verder. Niet allemaal, gelukkig.

We kwamen te spreken over de vraag wat nog natuur is, als alles door ons is aangelegd, behouden of wegbezuinigd of door verdwijnen van de biodiversiteit wegkwijnt. Ik stel: alles is natuur. Vader zegt ‘Als het geen natuur is, noem het op zijn minst ‘leven’.’
Als we even stil zijn horen we het knisperen van de donkere bast van de hoge den die loslaat in de zon, en plaats maakt voor de verse oranje-rode stam.

De klimaatcrisis, zo heette de vorige ramp waar we ons bijna kwaad om maakten. De opwarmende wereld, smeltende ijskappen, het uitsterven van alle plant- en diersoorten, het werd op een nippertje na een probleem van ons allemaal. Een aantal politici riep nog dat het niet onze schuld was, Twitter werd nog een laatste keer boos op linkse policors. We waren een haar verwijderd van het luisteren naar de wetenschappers, de problematiek globaal aanpakken, met mondjesmaat vingers wijzen maar vooral de handen uit de mouwen steken en de klimaatcrisis, de stikstof ellende en het massa-uitsterven zien als óns probleem. Iets waar we met zijn allen iets aan zouden moeten doen. Geen uitzonderingen daargelaten.

Er is hoop, niet alleen voor ons, zei Kafka ergens in de verte.

Het nieuwe normaal, die van het wereldwijd verspreide virus, de anderhalvemetersamenleving – beste galgje woord van het jaar, dat hebben we alvast gewonnen – wekt zowel optimisme als cynisme op. In het beste geval leren we ervan, in het slechtste geval gaan er heel veel mensen dood en de economie. Wee de economie. Wee ons blauwe kloppende hart, wee onze huurbazen, wee de boer met zijn veestapels en wee de kunstenaar die roept dat we niet zonder hem kunnen. Het probleem is dat wij niet voorgeprogrammeerd zijn om ons aan te passen. We zijn niet flexibel, ook al hebben we dat allemaal op ons CV staan. We zijn niks gewend. We praten iemand na die zegt dat we niet stoer moeten doen, wel verstandig moeten doen, en dat dit, waar we nu op afstevenen ‘Het Nieuwe Normaal’ heet. Het is alleen niet normaal: daar zat het hele probleem om mee te beginnen.

Een virus leeft niet, las ik. Een bacterie wel. Daarom kun je een bacterie ook doden, en een virus niet. Een virus kun je wel uitroeien, je kunt hem de oorlog verklaren – als je in je eigen leven geen oorlog kent is dat niet eens vreemd om te doen. Omdat het óns probleem is. Daarom is Alleen Samen zo’n waanzinnig doeltreffende en mooi gevonden slogan. Het is aan ons allemaal, individueel, om deze ziekte aan te pakken. We worden aangesproken als mens, als iemand die ertoe doet, èn als kudde. Ik ben een superheld door met zijn allen thuis te blijven. Het is namelijk jóuw moeder, opa, oom, die daar op het IC ligt te vechten voor zijn leven. Het is jouw kapperszaak, band, theaterzaal, café, multinational. Dus maak maar dat je afstand houdt, dat je binnen blijft, dat je niemand besmet. Wij zijn in oorlog, allemaal. Met de hele wereld tegelijk. Met de medewerkers uit zorg en onderwijs eindelijk in de heldenstatus die ze verdienen, als soldaten aan het front.

En wij, wij zijn er dus nog. Zien we het klimaat, de aarde, ook als óns probleem? Een oorlog die we met zijn allen moeten winnen? Met de aardbol als slagveld èn de bokaal? Met de journalisten en de wetenschappers – die het zelfs weleens mis mogen hebben van ons – waarnaar geluisterd wordt, de mensen in de ‘vrouwenberoepen’ als helden, en de machismo-leiders als grote vervuilers en verliezers?

Voor George is het te laat, hij was nooit echt ons probleem. Is de rest dat wel? Zullen we nu minder bang zijn voor de onzekerheid en mouwen opstropen? Toekomsten blijken onvoorspelbaar, als we iets leren van deze periode is het dat wel. Als we nu allemaal een beetje aan George blijven denken komt het misschien wel goed met ons.

TEKST | Angelou

Je vraagt me:
Wat maakt een ~ een ~?
Als ze niet kan flaneren
Niet kan bouwen aan een carrière
Niet iedereen versteld doet staan
Op een podium, of in een kantoorbaan
Niet haar eigen weg kan gaan?

Het is niet de lengte van het haar
Niet de afmeting van de taille
Niet de glans of lippenstift
Niet de hakken maar de tred
Niet de geëpileerde maar de oogopslag
Niet de gelakte nagels maar het gebaar
Dat maakt haar haar

Wat is een ~ nog,
Op de bank
Uitgeput
Beha aan de wilgen gehangen
Krom van het dragen van alle boodschappentassen
Ziek van het zien van haar eigen gezicht
in alle online vergaderingen
Wat maakt een ~ een ~, in een pandemie?

Ik ben de ~~ in de ~~beroepen
In de zorg, het onderwijs, welzijn en opvang
Ik ben de carrières waar op bezuinigd wordt
In de hoek waar de klappen vallen
Vang ik ze met gepoederde wangen
En weggewerkte wallen

Ik ben de ~~ die de straat niet op mogen
Ik ben de cijfers die aantonen
Dat het huiselijk geweld is toegenomen
Ik ben alle ~~ die zijn omgekomen
Achter gesloten deuren
En ik ben de ~~ die wèl de straat op gaan
Huis en haard verlaten
Om het hen niet te laten overkomen

Ik ben de thuisonderwijzers
Chefkoks van gesloten restaurants
De stewardess
Ik ben de ~~ die de mondkapjes naaien
Voor de hele straat
Ik ben de ~~ die nooit een naaimachine hebben gezien
Maar zich laten horen voor iedereen die het zwijgen wordt opgelegd
Ik ben de ~ met de megafoon aan haar mond

We zijn gracieus in ons bewegen
Dragen hakken of kisten op weg naar de frontlinie
We dragen, delen, rechten ruggen en vangen op
En als ze ons vragen: wie?
Wij zijn de fenomenale ~~
in een pandemie.

NIEUWS | Science & Fictie

Een nieuwe talkshow over kunst en wetenschap: hoe vullen ze elkaar aan, hoe helpen ze elkaar vooruit, en hoe ziet de toekomst eruit? We poetsen de glazen bol op, en gaan door middel van feit en fictie vooruit kijken.

op 19 november: De Stad. Hoe ziet Amsterdam anno 2030 eruit? En anno 2100? Van wie is de stad nu, en later? Onder leiding van Teddy Tops gaan we in gesprek met o.a. kunstenaar Yuri Veerman (ontwerper), Massih Hutak (muzikant en schrijver) en Cody Hochstenbach (stadsgeograaf) en Najah Aouaki (urban strateeg).

Volgende edities: Het Klimaat en Het Heelal

19 nov 2019 / 21 jan 2020 / 17 mrt 2020

Meer info: paradiso.nl/nl/programma/science-fictie

TEKST | Vooroordeeltjesversneller

Geschreven voor de opening van Theaterfestival Boulevard 2019.

Je wordt wakker van de wekker naast je kussen. Het is niet jouw kussen, het is er een van het harde soort. Jouw eigen kussen is zacht en vormt zich naar je hoofd als je hem erin drukt. Het is donker, je weet nog niet waar je bent en waarom je wekker af gaat. Je zit er nog tussenin, tussen de werkelijkheid en dat andere. Je bent op een onverlichte weg en je tomtom is stuk. Je bent daar waar je vroeger dacht dat oma was. Hier kan alles nog.

Als je het je straks kunt herinneren, waar je bent en waarom die wekker nog steeds piept, ben je weer een net-dertiger zonder kinderwens in een huurhuis vol planten en vintage Gispen meubilair. Die zich afvraagt wanneer werk een carrière wordt en wanneer facturen een inkomen. Die 341 producten in haar Zalando winkelmandje heeft zitten maar ook lid is van een politieke partij die klimaat, biodiversiteit en internationale mensenrechten hoog op de agenda heeft staan.

Die achteraf bezien kan stellen dat ze precies hier is gekomen door weloverwogen keuzes en hardvochtige emotionele en rationele overwegingen. Die ook kan stellen dat die genomen afslagen tijdens de rit meer leken op meanderende zijwegen en vertakkingen en doodlopende, heel veel doodlopende paadjes. Om over de beren die ze onderweg heeft ontmoet nog maar te zwijgen.

Ik pak mijn racefiets uit het rek in de gigantische fietsenstalling, en fiets door de grote stad die ik sinds enkele jaren ‘mijn stad’ noem. Hier hebben de mensen het vermogen je hele bestaan in twijfel te trekken. Het meisje dat in de Bijenkorf bij de make-up afdeling aan haar haar draait, de charmante Iraanse slotenmaker, de barman die in de deuropening van het café een sigaretje rookt en de jonge vrouwen die op zijn terras zitten. Ze beschikken allemaal over diezelfde macht mij te laten voelen dat ik mijzelf misschien wel heb verzonnen.
Zelfs de duiven hier ontkennen soms mijn bestaan.

‘We zijn helemaal niet zo uniek als we denken of hopen te zijn’, zei mijn kapper laatst. Zijn haar heeft hij aan een kant kortgeschoren en geverfd in schaakmotief, de andere kant is knalrood en hangt als een punker in ruste over zijn voorhoofd gedrapeerd. Ik wil knikken, maar hij heeft een schaar vlakbij mijn oor, dus besluit te hummen.
‘Er lopen of liepen er echt nog tientallen van mij rond, die ooit hetzelfde al eerder hebben gedacht. Hier, deze gedachte bijvoorbeeld, die is al eens bedacht. Misschien wel eeuwen geleden. De gedachte dat deze gedachte al eerder is gedacht, misschien wel eeuwen geleden, is al een keer eerder gedacht. Snap je? Het doet er gewoon niet toe.’
Ik moet denken aan Jan Wolkers die zei dat hij het liefst een worm was, omdat die ons uiteindelijk allemaal te grazen nemen. Wolkers heeft een pilotenhelm op, in mijn herinnering.
‘En wetenschappers dan? Of kunstenaars? Die veranderen iets, die maken authentieke keuzes.’ Probeer ik. Mijn kapper tikt ritmisch met zijn schaar tegen zijn broek, haalt de kam uit zijn mond en antwoord: ‘Misschien kunnen die inderdaad anders en vernieuwend zijn, vooral de vrouwen.’ Hij wijst op zijn t-shirt, met daarop de leus The Future is Female.

Op straat zegt een klein meisje tegen haar oma, die haar jas dichtritst ‘kin omhoog!’. De oma lacht. Met in mijn hand mijn elektronische filterbubbel, de telefoon die ik gebruik om argumenten te lezen die mijn eigen bevindingen bevestigen, en waarmee ik vrienden berichtjes stuur die vaak hetzelfde vinden – mijn eigen elektronische vooroordeeltjesversneller – met een tekening van Virginia Woolf als achtergrond, zoek ik mijn weg naar een restaurant waar ik nog niet eerder ben geweest. Om de zoveel meter draai ik het apparaat om te kijken of het blauwe pijltje, ik dus, nog wel naar voren wijst. Ik repeteer de afslagen in mijn hoofd. Drie keer links, dan rechts, dan links, dan derde rechts.

Ik kom voorbij een wegenkaart. Het bord zegt ‘U bevindt zicht hier’, maar het bord bedoelt eigenlijk ‘ík bevind mij hier’. Een grote rode pijl wijst naar mij. Hier ben ik dan, beaam ik. Hier zijn wij. Het bord en ik. Voor even, dan toch. Voordat ik mijn pad weer vervolg, is dit een bevestiging van mij, ik besta, want ik ben precies hier.

Als mijn wekker een laatste keer afgaat weet ik het weer. Hoe ik er kwam en waar ik naartoe moet, de reden om de wekker te zetten. Meteen baal ik, het niet-weten was lekker warm. Het ergens-tussenin voelde vertrouwd. Alles kan nog.

Ook voor bij het dolen mag je gerust bordjes, legenda’s en bewegwijzeringen voor elkaar schrijven. Bouw met liefde nieuwe bruggen naar alle overkanten en torens naar andere planeten. Maar schrijf ze dan wel in alle denkbare talen en bijbehorende geschriften. Schrijf ze met een glitter-gelpen. Laat de letters soms wegspoelen door de regen en aan de zon weer opdrogen. Wijs de mensen die je liefhebt er op, en mis ze niet als ze er niet zijn. Volg dan gewoon je route. Misschien komen de kaarten en de bordjes gewoon pas achteraf.

 

NIEUWS | The Final Countdown | We Are Public

Op zaterdag 23 februari tellen we af tot de 1500. Dat is het aantal leden dat we in Utrecht nodig hebben. Hiervoor heb ik als hoofdredacteur van We Are Public Utrecht (en Brabant) een programma samengesteld:

■ Eye-candy en Artist Talk door zeefdruk-legende Harmen Liemburg
■ Muzikale mix van arabische volksmuziek, jazz, hip hop uit Lombok door Dyar
■ Poëtische intermezzo’s door Danique Carmen Kivit  & Joost Oomen
■ Dans door Ali Zanad en Jeffrey Loewenicht van Dox
Johan Gijsen van Le Guess Who? in de DJ-booth
■ Muzikale performance van het illustere duo De Witte Kunst

Locatie: Kapitaal
Paardenveld 1, Utrecht
20:00 – 00:00 uur
We Are Public-leden: gratis

Tickets niet-leden – € 7 aan de deur
>> of sluit je aan en ga direct gratis

NIEUWS | Talkshow De Ruit in RAUM!

Voor RAUM, Utrecht, mag ik een reeks talkshows verzorgen onder het mom ‘maakbaarheid’, met de titel De Ruit. Samen met host Oscar Kocken ga ik elke editie een nieuw onderwerp onder de maakbaarheids-loep leggen. De eerste editie is op 21 februari, en heeft als thema De Liefde.

Donderdag 21 februari
Entree is gratis
Start om 20:00
in Venster, RAUM, Utrecht

Is de liefde maakbaar? Te vangen in een algoritme? Te vereeuwigen in het huwelijk? Waar vinden we romantiek en intimiteit in Utrecht en Leidsche Rijn? De allereerste editie van Talkshow De Ruit onderzoekt de maakbaarheid van liefde, een tijdloos én super actueel onderwerp wat iedereen aangaat. Het stedelijke landschap van de liefde verandert razendsnel door allerlei (technologische) invloeden, veranderende wensen en persoonlijke verlangens. In gesprek met tafelgasten, schetsen we een actueel beeld van de liefde, met een blik op Leidsche Rijn en de stad – en een oog op de toekomst.

Talkshow De Ruit is dé live talkshow van de Utrechtse schrijver en journaliste Teddy Tops. De Ruit schetst een actuele blik op de stad van nu. In anderhalf uur tijd gaat Teddy in gesprek met vaste en eenmalige gasten, over de maakbaarheid van de stad in het algemeen en Leidsche Rijn in het bijzonder. Vanuit wisselende thema’s wordt ontwikkeling en vooruitgang besproken, altijd via grappige én serieuze invalshoeken. Teddy’s gasten komen uit alle lagen van de stad: van buurtbewoner tot wijkagent en van politicus tot theatermaker. Zin in een snelle, frisse avond met humor én verdieping? Wees welkom bij Talkshow De Ruit, in Venster bij RAUM!