perron 5 ¼

Perron 5 ¼ vult zich gestaag met mensen die ongeveer dezelfde bestemming verwachten; Utrecht, Amsterdam Amstel, Amsterdam Centraal of Amsterdam Sloterdijk. Het perron is al een poosje aan het renoveren en voor de gelegenheid is er een half perron aan het oude perron geplakt. Geen Harry Potter perikelen waarbij kopstoten met stationszuilen je naar je eindbestemming brengen dus, gewoon een zerpe opknapbeurt.

Het is veel te vroeg, en veel te koud. Aktetassen zijn deze ochtend de trend. De aktetassen staan te wachten op ons gedeelde doel, op de trein die een beetje te laat is, en hopelijk een beetje te warm.
Ik sta naast de rookpaal, al vind ik het in deze vroegte nooit nodig een sigaret op te steken. Toch heb ik het gevoel dat dit mijn plaats is. Tussen mijn lotgenoten, met als centraal punt de smeulende ijzeren mast, die ons verwarmt en de rest van de dag laat geuren.

“+5 minuten”
Samen drommen we, samen prefereren we de trap naar boven en samen kiezen we voor een vierzits. De twee reisgenootjes die in mijn vierzits neerploffen zijn ongeveer 16 jaar, en genieten van de laatste weken dat zij nog legaal uit kroegen mogen opdoemen, legaal in steegjes mogen kotsen en legaal boven een rookpaal mogen hangen, om het laatste hijsje te laten gelden. En toch weten zij nog van nix.

“- Echt leuk dat je vaker mee uit gaat man.
Ja, vind ik ook.
– Je fietst eigenlijk nooit mee terug.
Nee.
– Donderdag ook, dachten we ineens, hey, waar is Marloes nou?
Haha. Ja.
– Heb je er spijt van?
Nee. Of ja. Misschien omdat het een slettenactie was. Maar niet per se om hem zelf.
– Nee. Weet je nog die andere keer, toen je dus ook niet mee terug ging?
Met die sukkel?
– Ja?
Die steeds in mijn gezicht aardig deed en dan tegen iedereen ging zeggen dat ik zo’n slet ben?
– Ja. Dat was wel dom he?
Om met hem mee naar huis te gaan?
– Ja.
Ja, dat was dom.
– Maar niet omdat het een slettenactie was.
Nee, omdat het met hèm was.
– Ja.”

Mijn doel bleek helaas een andere dan die van de twee dames. Utrecht was mijn bestemming, Amsterdam Amstel, Amsterdam Centraal of Amsterdam Sloterdijk die van hun. Ik begrijp ze wel. In Amsterdam heeft men natuurlijk lak aan nix.

dier en vriend

Opdrachtgever: F. Hassen
Opdracht: Schrijf binnen nu en nu een verhaal over een vlinder en een raaf. In een achtbaan.

Het was een zwoele herfstdag ergens in mei, toen de raaf en de vlinder besloten naar Six Flags te gaan. Onderweg verloor Raaf Vlinder algauw uit het oog, vanwege gebrek aan natuurlijke oversteekplaatsen. ‘Hoer’, dacht Raaf, en vloog verder. Eenmaal bij Six Flags aangekomen betaalde hij een kaartje voor Vlinder, het was immers toch wel gezelliger als ze er nog bij zou kunnen zijn. Hij besloot op haar komst te wachten in de Goliath.
Zo zat Raaf daar, dag in dag uit. Hij kocht na iedere rit een foto in het hokje na de achtbaan, maar nooit zag hij Vlinder op de prent naast hem zitten. Bij elke foto biggelde er een raventraan over zijn verenpak. ‘Hoer’, fluisterde Raaf.

in Hemelsnaam!

Waar gaat het in Hemelsnaam naartoe?

Een vraag die intussen mijn strot uitkomt. Ik stelde deze vraag twee weken lang aan iedereen die hem leek te willen beantwoorden.
Mensen hebben vaak een mening. Dat is iets waarin wij verschillen van het dierenrijk. Dieren hebben niet vaak een mening. Soms wel hoor, maar dan luisteren wij niet omdat ze met de stem van Marianne Thieme spreken. En die nemen wij niet serieus. Dat is ook heel menselijk.

Uit ons onderzoek naar Waar het in Hemelsnaam naartoe gaat met de podiumkunsten -uitgevoerd tijdens Theaterfestival Boulevard- bleek een boel. Ik heb het allemaal mogen bundelen in een essay, welke nog in de maak is. Wat vooral bleek, was dat wij een overschot hebben aan meningen. Dat iemand ooit voor de vrijheid daarvan heeft gestreden, kan ik alleen maar helaaslijk noemen. Ik vraag me ook af of die persoon wel eens een enquête heeft uitgevoerd. Ik denk dat wanneer hij een onderzoek zou hebben gedaan, onder een x aantal mensen met meningen, hij een stuk minder hard zou hebben gestreden.

Het van andere mensen horen waar zij denken dat het naartoe moet met de wereld, is niet per se confronterend. De vraag aan jezelf stellen, en ‘de wereld’ vervangen door ‘jezelf’, daarentegen..
Het feit dat ik de antwoorden mocht opschrijven, vertalen naar enigszins begrijpelijke teksten en later een essay mocht produceren, was al een noemenswaardige stap in de richting van ‘toekomst’, ofwel ‘hetgeen ik naartoe denk te gaan’.

Ik denk dat je pas weet waar je naartoe gaat als je er eenmaal bent. Wat die hele vraag dus overbodig maakt. Stel hem maar eens aan een eland. Hij zal je aankijken en je voor gek verklaren en dingen bulken als  “Schrijnende ecologische tekorten!”.
Hij zou verder gaan met grazen.
Hij weet namelijk ook pas wiens schouw hij mag versieren wanneer hij er eenmaal hangt.
Maar goed. Dat is mijn mening.

op jihadreisje

“De wielen van de bus die draaien rond, rond en rond, rond en rond!”
Spiderman-rugzakjes onderin de bus gejoekeld, Caprisonne in het knuistje en op naar Syrië. “Wel goed insmeren, hoor.” Zei mama nog voor we vertrokken. Ja ja. Wel goed insmeren. En genoeg drinken hè. Ja. Ook genoeg drinken.
In Syrië kan het flink heet worden moet je weten.

Onderweg stoppen we hier en daar voor een welverdiende versnapering. Ik leer olijfolie maken en het vervolgens niet te kopen. Tering wat is dat duur!
Ook krijgen we knetter-ijsco’s. Wat mij betreft mag het reisje nog wéken duren.
Maar een stemmetje in mij zegt me dat we moeten opschieten.

“Het hondje in de bus zegt waf waf waf. Waf waf waf. Waf waf waf.”
We hebben een kaart bij ons en de rugzakjes zijn goed gevuld. Het kan eigenlijk niet mis gaan.
De buschauffeur vraagt of hij ons hier weer moet oppikken.
Dat lijkt me niet nodig.

http://www.rtlnieuws.nl/nieuws/binnenland/rechter-oordeelt-over-jihadreis-verwarde-mohammed-g

lentekreukels

Héél even naar het terras dan.

Voor dat etentje voor twee waarvoor je nog een paar kleine boodschapjes moet doen, besluit je héél even het terras op te gaan. ‘Héél even’ wordt gewoon ‘even’. Er sluiten mensen aan, mensen die je al véél te lang niet hebt gezien. Mensen die je eigenlijk alleen ziet met dit weer. Je weet heel eerlijk gezegd niet eens wat deze mensen doen, als het regent of sneeuwt. Wat jou betreft macrameeën ze er maanden lang op los, of hebben ze een donkere schuilkelder waar een nieuw hondenras gefokt wordt. Het maakt ook niet zoveel uit, want als ze er zijn is het immer feest.

Er worden al snel grapjes gemaakt over mijn onhandigheid. Ziet u, ik ben nogal onhandig. Op het zelfdestructieve af. Je raakt eraan gewend, na een goeie drieëntwintig jaar. Niks om je voor te schamen, als je het mij vraagt. Momenten die ik zelf al bijna ben vergeten worden uit de oude doos getoverd. Die keer dat ik met twee volle boodschappentassen en een netje sinaasappels op een kruising stond toen het netje besloot de zware last te lossen. Daar gingen ze dan, vrolijk stuiterend alle richtingen van het kruispunt op. Op dit moment was er niet heel veel verkeer, dus besloot ik mijn fiets op de standaard te zetten en mijn oranje vrienden één voor één in mijn feestelijk gestipte jurkje te verzamelen. Ik gebruikte hem als ware een buidel. Dit alles ging goed, een tikje traag, maar doeltreffend. Het verkeer nam toe, maar niemand leek er echt problemen mee te hebben om op een vrolijk gestipt meisje met haar buidel vol oranje fruitigheden te wachten.
Tot de lente besloot dat ze toch wel erg jong was en het tijd was voor een frisse wind. Een harde frisse wind. Onder mijn jurkje, die op dat moment om mijn middel hoelahoept.
Nu kun je twee dingen doen; de sinaasappels laten vallen en wegfietsen, óf, wat ik deed, je verlies nemen, de vruchten proberen te redden en in je veel te blote ondergoed je fiets proberen te beklimmen.

Dit was een van de vriendelijkere verhalen, dat merk je aan het feit dat het niet eindigt bij de Eerste Hulp.

Na een derde laatste witbiertje en een zoveelste grappige anekdote met mij in de lijdende vorm stap ik op mijn fiets om dan toch maar die kleine boodschapjes te gaan doen, een klats koffie in mijn mik te duwen en hopen dat de pannen op het vuur de rest van het werk doen. Na iedereen gedag te hebben gekust fiets ik de hoek om, waar het lot mij opwacht. Een fietswiel, niet de mijne, lijkt mijn voorwiel te willen omarmen en samen piepen ze zo’n acht seconden in elkaar gehaakt over de autobaan.
Één: Huh?
Twee: Wat de..?
Drie: Wel godver!
Vier: “Ooooo”
Vijf: “Neeee!”
Zes: Jawel hoor.
Zeven: Kan ik nog afstappen?
Acht: Nee.
Ik beland na acht tergend langzame seconden vóór mijn fiets met mijn benen over mijn stuur en met de rechterhand mijn vrolijk gestipte jurkje in een kuise houding houdend.
Mijn andere hand lijkt te hebben geprobeerd mij en mijn fiets op te vangen. Nadat ik check of de andere bestuurders en omstanders oké zijn en een paar ‘Nee, het gaat prima!’s snel ik naar huis, om met het dichttrekken van de voordeur de pijn toe te laten. Maar eerst moet ik me omkleden, mijn jurkje is vies van de val.
Helaas. Mijn hand heeft de kracht van een pak aardbeienvla en bij een enkele inspanning zak ik door mijn benen.
Daar zit ik, een anekdote rijker. Gestipt jurkje in de knieholtes, mijn linkerhand snikkend naar de hemel gericht alsof ik antwoord verwacht van een hogere macht.

Héél even naar de EHBO dan.

op reis

Het is vakantie.

Of nu ja, ik heb geen vakantie; we zijn op vakantie. Ik heb deadlines en een licht aanzwellende paniekbal in mijn onderbuik.
Maar het gaat me prima af, te doen alsof deze niet bestaan. In een dorp vol bizar gevormde tomaten en dito mensen, met hun mediterrane huidskleur als Earl Grey thee au lait.
Of ze hier ook Wifi hebben?
Ze hebben hier een VVV kantoor dat geopend is wanneer 30 februari op een donderdag valt, twee lantaarnpalen en een stel schuimbekkende ezel-paarden.

Wifi.
De buurman van een paar kilometer verderop is afgelopen jaar in zijn kunstgebit gestikt tijdens het uitspreken van dat woord. Daarom praat hij niet meer, maar hapt hij alleen nog maar in het luchtledige. Althans, zo gaat het verhaal.

En dan zaterdags met zijn vieren fijn in die mega giga superdupermarkt een uurtje verderop boodschappen doen. Er zouden vanavond -wellicht, misschien, het zou zomaar kunnen- ongeveer vijf eters aanschuiven. Misschien. Wie weet.
We hebben in de auto de taken verdeeld, maar bij aankomst lijken paniek en chaos de overhand te nemen. Een gigantische TL-verlichtte hal vol fel gestickerd koopwaar, een enorme sectie kleding die van een bijzonder soort wansmaak getuigd en een bak waarin wel honderd arme kreeftjes elkaar de ogen uitsteken. Voor mij begint de wanhoop bij deze watertank. Ik kan in alle eerlijkheid zeggen dat ik prikoogjes kreeg van de TL-verlichting, maar de kreeftjes steken in mijn traanbuizen. Gehandboeid – nee- geschaarboeid liggen ze daar, opgestapeld als het overgeproduceerde stokbrood dat een paar gangen verderop ligt te geuren. Hoe ver zou het zijn naar zee? Als ik een gat in de tuin graaf en die vul met Spa Blauw, zouden ze dan gelukkig kunnen worden? Of willen ze echt alleen Chaudfontaine? En wat eet zo’n kreeftenfamilie eigenlijk, op maandbasis? Ik zou de piepkleine knokige fransvrouw met haar felrood bebloedde schort aan de andere kant van het aquarium zoveel vragen willen stellen, als ze me maar kon verstaan.

Mijn taak is dus het brood. De geur herinnert me hier vluchtig aan, maar na het zien van het enorme keuzeaanbod moet ik toch terug naar het boodschappenkarretje om wat meer duidelijkheid te vragen. Het karretje terugvinden is dan ook het eerstvolgende probleem; een lichte paniek vult mijn lichaam als hete koffiedrab die bij mijn keel begint en bij elke stap verder richting mijn knieën zakt. Zo speur ik de gangen af, met rode vlekken in mijn hals en irissen die van links naar rechts schieten zonder echt ergens op scherp te stellen. Straks zijn ze al weg. Straks heb ik veel te lang met mijn voorhoofd tegen die watertank geplakt staan staren.
Ik bots een zichtbaar geschrokken lotgenoot met zes verschillende soorten toastjes onder zijn armen tegen het lijf en samen zoeken we zwijgzaam verder.
Wanneer ik weer bij het karretje vandaan loop zijn de rollen compleet anders verdeeld. Nu moet ik vlees, dingen voor op brood en kappertjes. Het waarom wil ik niet eens meer weten.
Niets is zeker op dit moment, alleen dat ik de gang met de kappertjes hoogstwaarschijnlijk al drie keer ben gepasseerd voordat ik het knokige fransvrouwtje met handen en voeten probeer duidelijk te maken dat ik de gang met de kappertjes zoek.

Maagzuur van eetwaar (blijkbaar worden er hier bar weinig kappertjes gegeten), aanstaande rekeningen, nog altijd staande deadlines en een gezonde dosis zelfmedelijden verzuipen in het kalmerend kabbelende beekje dat mijn blaas al dagen voor het lapje lijkt te houden.

Ik zal me daar betoeterd zijn ze van de gewisse verdrinkingsdood te redden.
Ik kom ze op de weg terug wel weer tegen.
Naast de buurman’s kunstgebit, een strak georganiseerd etentje met verse kreeftenmousse op toast en een knoepzuivere internetverbinding.

prinsesje spelen

Ik was Lex’ eerste grote liefde. We ontmoette elkaar op het schoolplein van het Baarnsch Lyceum, waar ik wiet verkocht. Het waren mooie tijden. In het fietsenhok, op de meisjestoiletten en in het lokaal van decaan Conny prinsje en prinsesje spelen. Ik was dan het prinsesje.

Nu is Max dat.

Nou, het is haar gegund hoor. Het plastic kroontje dat we gebruikte gleed steeds scheef over mijn pony. Geen gezicht. We hebben elkaar gewoon te vroeg ontmoet, Alex en ik. Ik en Alex. Toen hij het uitmaakte zei hij nog ‘Ik wil wel, maar zeg nu zelf. We zijn zo jong. En met jou als Koningin winnen we de oorlog niet.’, ik was het er niet mee eens maar zo gaan die dingen nu eenmaal. Als we nu samen waren geweest had ik hem verteld wat ik van het nieuwe lied vond, en van zijn oude kapsel. Ik zou hem lief hebben maar ook streng zijn, zoals Bea dat was.
Zij sms’t me nog met regelmaat dat ze me mist, dat ze het wel had geweten als zij het nog voor het zeggen had.
Na morgen heeft ze het niet meer voor het zeggen. Net als ik toentertijd. Het zal even pijn doen, vertel ik haar. Maar de leegte went.

De glamour verdween met Lex mee op Hoge poten mijn leven uit. De oranje slof-klompen, opblaaskroontjes en diamanten kettingen moet ik al jaren lang net als de rest van Nederland bij de Xenos kopen, om ze daags na het grote feest op Marktplaats voor een prikkie en een knoop te verpatsen. Op de grote dag sta ik dit jaar gewoon in een tomatenpak voor de tent waar ik werk door een megafoon te schetteren “Hak de tomaat! Één euro!”, meemaken daarbij zijn. De harde realiteit.
Maar ik heb er vrede mee.
Voor mij geen echte kroon.
Geen luxe of overdaad.
Max heeft de troon.
En ik een tomatenpak.

eenzaamheid kent een tijd

Ik word er enorm mistroostig van, zo’n lief klein dametje of heertje met vouwen tot aan de enkels te zien zitten in een arbitrair eettentje, in hun allerzieligste uppie. Een bordje dampend onbekend voedsel voor het klassiek gekreukde smoelwerk. Ik ben zo bang dat ze de rekening krijgt en ervan schrikt maar er niks van durft te zeggen omdat ze niet krenterig over wil komen. 
Eigenlijk is het helemaal niet zielig en heeft dit rimpelende dametje met paarsig haar en felrose geschminkte wangetjes het prima begrepen, zo blijkt uit het onderzoek van ons aller Andrew Steptoe.

Zijn onderzoek aan de Universiteit van Londen heeft onlangs uitgewezen dat in je eentje thuis zitten fataal kan zijn. Je eenzaam voelen heeft hier niets mee van doen, zo blijkt. Het is het gebrek aan contact met de buitenwereld dat dodelijk is. Zesentwintig procent van de onderzochte mannen en vrouwen van boven de vijftig met weinig tot geen contact met de buitenwereld stierf aanzienlijk eerder dan de mensen die wel zo nu en dan een uitstapje maakte of de telefoon aannam, maar had geen last van eenzaamheid. Je mag je dus best eenzaam voelen, maar doe dit dan wel in het bijzijn van anderen.

Mij wordt vaak verweten dat ik niet alleen kan zijn.
Het is mijn nieuwe overlevingsstrategie. Daar waar andere mensen heerlijk in hun eentje thuis aan het deddelen, rommelen, aankakken en frutselen zijn, ben ik aan het overleven. In een kroeg of bij je thuis, of ergens in een supermarkt tijdens de spits. Ik maak er kletspraatjes. Het gaat immers niet om de kwaliteit van het contact maar om de kwantiteit. Kwaliteit vind ik thuis in een boek of in die laatste minuten voor het slapengaan. Nu is gebleken dat ik hieraan dood ga kijk ik me daar wel uit die verdieping in te gaan. Worst zal me dat nieuwe prachtboek op het nachtkastje wezen. Een film zet ik nog wel aan maar alleen als je komt kijken. Ik stem mijn tandenpoetstijden af aan die van mijn buren, dat wandje is zo dun dat het vast niet telt. De tijd die ik op mijn fiets danwel toilet besteed bel ik je op om te vragen wat je aan het doen bent. Misschien haak ik zo nog wel even aan.
Of ga ik lekker bij de Bagels en Beans, in alle rust. Fijn alleen tussen hippe jonge mensen met Apples en moeilijke hoedjes. Gezellig luistervinken en in mijn nieuwe prachtboek verzakken. “Ober er zit een gat in mijn broodje”, en wat is in gods naam hummus?
Ik ben er klaar voor.
Laat die rimpels maar komen.

fijne feestdagen!

Het jaarlijkse feest der teleurstellingen staat weer voor de deur en ik ben verre van klaar op zijn gebel te reageren. Die vreselijke hang naar legendariteit. Zelfs de vrienden die beweerden het niet te vieren zijn verzeild geraakt in nu al uit de hand gelopen facebook events. Borrels worden links en rechts haastig uit de grond gestampt uit angst voor een normale avond. Want verdomme, normaal gaat het niet worden. Legendarisch. Iedereen is er.

Maar er zijn zoveel borrels dat iedereen moet kiezen en er is dus nooit een feestje waar iedereen bij is. Het panieken begint al veel te vroeg en hier gaat het dus ook al mis. Als je zoveel druk op iets zet kan het niet anders dan doodbloeden. Kijk maar naar Johannes de bultrug.

Uit paniek gaan die Lidl bubbels veel te vlug naar binnen. Van zenuwen gaat men nu eenmaal buitensporig veel drinken. Combineer dit met ontploffende kartonnetjes en vuurpijlen en je hebt het slechtste idee van het jaar te pakken. Gelukkig zijn er de oliebollen. Oliebollen maken ieder slecht plan tot een uiterst prima plan.

Rond de klok van half twaalf zoeken de stelletjes elkaar op, ook die ruzie hebben, want met oud en nieuw is ieder stelletje verliefd. Het nieuwe jaar zal namelijk niets dan goeds en voorspoeds brengen en in de ogen lees je de leugens over nog te maken herinneringen. Dat sommigen van hen het volgende legendarische feest der teleurstellingen samen niet gaan halen is een feit, maar om hier nu, op deze avond over te beginnen, dat gaat zelfs mij wat ver. Nog een oliebol dan maar.

Je bent al dronken en misselijk en wil naar huis maar dit mag niet. Er valt nog meer uit deze avond te halen. Moet haast wel. Je hebt namelijk kaartjes voor een heel vervelend feest waar ook niet iedereen gaat zijn. De vrienden die je daar maakt zullen je beste vrienden worden. Onderweg naar je jas doe je een poging tot tongen met een van je vers gemaakte vrienden. Tim heet hij. Of Tom. Iets korts, met de T.
Gelukkig nieuwjaar T(im/om).
Ook jij stelde teleur.

Één januari begint met een legendarische kater en het bij elkaar rapen van herinneringen. Je telefoon staat vol van gelukwensen en ‘waar ben je?’s. Op één dag alle mensen die je lief hebt willen zien en spreken, wie heeft dat ook bedacht? Je stinkt, hebt hoofdpijn en je vriendjes doen hier niet aan onder. Samen stinken jullie. Samen hebben jullie pijn. Samen hebben jullie hoogstwaarschijnlijk een heel gelukkig nieuw jaar.
En zaterdag wordt het toch wel weer legendarisch.
Of misschien vandaag al wel.

mood swings

Muzikale weekeinden, ik mag er graag van genieten. Vroeger wist ik niet beter, waren al mijn weekendjes muzikaal. Tegenwoordig passeren er steeds vaker enorm a-muzikale de revue.
Ik noem een Pantoffeltje, een Taveerne.

Afgelopen weekend was weer als vanouds. Een kapel-optredentje hier, een sentimenteel geladen optredentje daar. Ik heb van elke noot kunnen genieten, op een andere manier dan ik dat vroeger deed. Ik zou vroeger niet snel in een kapel op een klapstoeltje zijn gaan zitten. Dat paste niet bij mijn outfit.

De eerst genoemde was van ons aller Case Mayfield. Voor bekenden ‘Kees’. Voor nóg bekenderen komt daar vast een achternaam bij, maar tot die kringen behoor ik helaas niet. Ik mag hem slechts Case noemen. Case was geweldig, de zaal misschien nog wel geweldiger. Intiem, knus, fijn. Alles.
Onmogelijk ook, om daarna andere feestjes aan te doen. Als je uit een kapel komt is de feestsfeer moeilijk eigen te maken. Ik kan alleen zeggen, ik heb mijn best gedaan.
En ik kan moeilijk de tequilla de schuld geven.

Een dag later, Moodswing. In de kelder die vroeger mijn donderdagen kleurde, P79. Toen nog Plein 79.
Daar stonden ze dan. Mijn oude helden en mijn eerste liefdes. Verliefd werd ik ooit, op mijn dertiende, verliefd werd ik weer, nu precies tien jaar later. Ik, met een iets muzikaler gehoor dan toen, zij vooral iets kaler. De teksten die zij toentertijd bezongen gingen over hoe moeilijk het leven wel niet was. De nieuwe liedjes gaan over dat ze toentertijd gelijk hebben gehad. Het is verdorie wat, dat leven. Dat gaat je niet in de koude kleren zitten. Huilende gitaren gaan nu gepaard met huilend nageslacht. Maar het misstaat ze niks.

Ik ben verliefd.
Ik ben verliefd op Case.
Ik ben verliefd op Moodswing.
Ik ben verliefd op al hun nageslacht, kale plekken en opkomende rimpels.

Waar is de tequilla?