de jongen met de jas

De jongen met de Gaastra-jas zit in de stiltecoupé tegenover mij en kijkt tv op zijn laptop (met oortjes in). Hij fluistert zojuist na een kort knorretje (ik gok zijn manier van gniffelen) hardop “die Yvon Jaspers…”

de man met de hoed

De man met de hoed en ik spelen een spel. Hij eet iets, en ik moet het dan met de krant voor mijn gezicht, in mijn hoofd raden. Ik heb er al drie goed, op volgorde; mandarijn, bruine boterham met pindakaas, banaan. Ik hoop zò dat het ook een salami-eter of Redbull-drinker blijkt te zijn! Die haal ik er gelijk tussenuit.

moet je net mij hebben

Iets hardop doen, is altijd voor schut. Hardop doe je namelijk een boer, een scheet, een genante uitspraak. Dingen die je normaal hardop doet, zoals praten en lachen, benoem je namelijk nooit door het woordje ‘hardop’ eraan toe te voegen; “En toen zei ik hardop tegen hem van, nou, ik had best een prima dag, en hij antwoordt hardop van, ja, ik ook. En toen moesten we hardop lachen.”

Ik zit in de sprinter van Utrecht naar Den Bosch, in een vierzits. De trein is redelijk gevuld, maar er zijn nog voldoende lege zitplaatsen. Een mevrouw met korte zwarte krullen, een bloem in haar kapsel en een ietwat verwarde blik in haar ogen gaat bìjna naast me zitten, maar wanneer haar tas mijn been raakt ziet ze een plekje achter mij; een tweezits. De volgende stop komt er een meneer binnen gestapt, met een lange beige jas en een klein brilletje op zijn nog-niet-zo grijzende hoofd. Op dit moment is de trein te vol om precies daar te kunnen zitten waar je het liefst zou zitten, maar naast mij zijn nog drie plekken vrij. Naast de mevrouw nog eentje.
De kaartjes worden gecontroleerd.

meneer: “Fijn wel he, die OV-kaarten?”
mevrouw: “Sjonge ja, die kaartjes vond ik maar niks hoor.”
meneer: “Nee, die waren onhandig.”
mevrouw: “Ja, ik raakte ze ook vaak kwijt.”
meneer: “Ja, en als je je trein moest halen was het altijd weer gestress.”
mevrouw: “Ja.”

Het volgende station is Cu lem borg. Station. Cu lem borg. Deze sprinter rijdt verder naar Geldermalsen, Zaltbommel en ’s-Hertogenbosch.

meneer: “Nou. Tot ziens!”
mevrouw: “Ja! Wel thuis!
..
Denk ik!”

mevrouw, hardop: “Wel thuís?! Waarom zeg ik dat nou.
Wel thuis.
Denk ik.
Wat bèn ik voor iemand?!”

Waarna ik hardop gniffelde.

menstrueren en breinaalden

Een paar dagen geleden las ik in de NRC een artikel over Nederland; een emancipatie-af land. De daarop volgende column in de Volkskrant van een boze Joyce Brekelmans liet weten dat tepel- en salariskloven nog altijd aan de orde van de dag zijn.

Iets later hoorde ik op de radio voor het eerst over het fenomeen Fish for Sex. Het heeft om te beginnen een andere connotatie dan mijn favoriete Fish and Chips, maar toch vind ik het een te gezellige benaming voor wat het inhoudt. Vrouwen in Kenia worden naar de haven gestuurd om daar seks te hebben met vissers, om daarna alsnog de vis af te rekenen. De buschauffeurs hebben deze handelswijze opgepikt, waardoor de vrouwen met hun mandje vis eerst met de chauffeur naar bed moeten voordat ze een strippenkaart mogen kopen.
Vrouwen zijn daar van een man, wanneer deze man komt te overlijden staat er in zijn testament naar welke man de kersverse weduwe moet. Meestal is dit een broer of een neef. In een enkel geval een visser of een buschauffeur.

Fish for Chips, zo zou ik mijn reddingsactie noemen. En ik zou dan met alle woedende, nog-altijd-voor-de-emancipatie-strijdende vrouwen in Nederland naar Kenia gaan. In vissersbootjes. En ik zou alle vrouwen redden. En voor iedereen chips meenemen. De mannen zou ik naar een opvoedkamp sturen, en de vrouwen naar school. Waar ze leren hoe ze hun kindjes kunnen voorlezen voor het slapen gaan, en hoe ze met een condoom moeten omgaan.

Ik doe niet heel graag de afwas, hou van voetbal en bier, en steun twee goede doelen die alles te maken hebben met zielige beestjes. Ik weet niet zeker of dit mij een geëmancipeerde vrouw maakt. Wat ik wel zeker weet is dat ik een super boos mens word van onrecht. En een boos mens is iets anders dan een boze vrouw. Een boze vrouw schrijft dingen op haar buik en stapt op een willekeurige tram richting de Dam, een boos mens opent de laptop en schrijft met een boos rood hoofd een stukje boze rode tekst.

perron 5 ¼

Perron 5 ¼ vult zich gestaag met mensen die ongeveer dezelfde bestemming verwachten; Utrecht, Amsterdam Amstel, Amsterdam Centraal of Amsterdam Sloterdijk. Het perron is al een poosje aan het renoveren en voor de gelegenheid is er een half perron aan het oude perron geplakt. Geen Harry Potter perikelen waarbij kopstoten met stationszuilen je naar je eindbestemming brengen dus, gewoon een zerpe opknapbeurt.

Het is veel te vroeg, en veel te koud. Aktetassen zijn deze ochtend de trend. De aktetassen staan te wachten op ons gedeelde doel, op de trein die een beetje te laat is, en hopelijk een beetje te warm.
Ik sta naast de rookpaal, al vind ik het in deze vroegte nooit nodig een sigaret op te steken. Toch heb ik het gevoel dat dit mijn plaats is. Tussen mijn lotgenoten, met als centraal punt de smeulende ijzeren mast, die ons verwarmt en de rest van de dag laat geuren.

“+5 minuten”
Samen drommen we, samen prefereren we de trap naar boven en samen kiezen we voor een vierzits. De twee reisgenootjes die in mijn vierzits neerploffen zijn ongeveer 16 jaar, en genieten van de laatste weken dat zij nog legaal uit kroegen mogen opdoemen, legaal in steegjes mogen kotsen en legaal boven een rookpaal mogen hangen, om het laatste hijsje te laten gelden. En toch weten zij nog van nix.

“- Echt leuk dat je vaker mee uit gaat man.
Ja, vind ik ook.
– Je fietst eigenlijk nooit mee terug.
Nee.
– Donderdag ook, dachten we ineens, hey, waar is Marloes nou?
Haha. Ja.
– Heb je er spijt van?
Nee. Of ja. Misschien omdat het een slettenactie was. Maar niet per se om hem zelf.
– Nee. Weet je nog die andere keer, toen je dus ook niet mee terug ging?
Met die sukkel?
– Ja?
Die steeds in mijn gezicht aardig deed en dan tegen iedereen ging zeggen dat ik zo’n slet ben?
– Ja. Dat was wel dom he?
Om met hem mee naar huis te gaan?
– Ja.
Ja, dat was dom.
– Maar niet omdat het een slettenactie was.
Nee, omdat het met hèm was.
– Ja.”

Mijn doel bleek helaas een andere dan die van de twee dames. Utrecht was mijn bestemming, Amsterdam Amstel, Amsterdam Centraal of Amsterdam Sloterdijk die van hun. Ik begrijp ze wel. In Amsterdam heeft men natuurlijk lak aan nix.

dier en vriend

Opdrachtgever: F. Hassen
Opdracht: Schrijf binnen nu en nu een verhaal over een vlinder en een raaf. In een achtbaan.

Het was een zwoele herfstdag ergens in mei, toen de raaf en de vlinder besloten naar Six Flags te gaan. Onderweg verloor Raaf Vlinder algauw uit het oog, vanwege gebrek aan natuurlijke oversteekplaatsen. ‘Hoer’, dacht Raaf, en vloog verder. Eenmaal bij Six Flags aangekomen betaalde hij een kaartje voor Vlinder, het was immers toch wel gezelliger als ze er nog bij zou kunnen zijn. Hij besloot op haar komst te wachten in de Goliath.
Zo zat Raaf daar, dag in dag uit. Hij kocht na iedere rit een foto in het hokje na de achtbaan, maar nooit zag hij Vlinder op de prent naast hem zitten. Bij elke foto biggelde er een raventraan over zijn verenpak. ‘Hoer’, fluisterde Raaf.

in Hemelsnaam!

Waar gaat het in Hemelsnaam naartoe?

Een vraag die intussen mijn strot uitkomt. Ik stelde deze vraag twee weken lang aan iedereen die hem leek te willen beantwoorden.
Mensen hebben vaak een mening. Dat is iets waarin wij verschillen van het dierenrijk. Dieren hebben niet vaak een mening. Soms wel hoor, maar dan luisteren wij niet omdat ze met de stem van Marianne Thieme spreken. En die nemen wij niet serieus. Dat is ook heel menselijk.

Uit ons onderzoek naar Waar het in Hemelsnaam naartoe gaat met de podiumkunsten -uitgevoerd tijdens Theaterfestival Boulevard- bleek een boel. Ik heb het allemaal mogen bundelen in een essay, welke nog in de maak is. Wat vooral bleek, was dat wij een overschot hebben aan meningen. Dat iemand ooit voor de vrijheid daarvan heeft gestreden, kan ik alleen maar helaaslijk noemen. Ik vraag me ook af of die persoon wel eens een enquête heeft uitgevoerd. Ik denk dat wanneer hij een onderzoek zou hebben gedaan, onder een x aantal mensen met meningen, hij een stuk minder hard zou hebben gestreden.

Het van andere mensen horen waar zij denken dat het naartoe moet met de wereld, is niet per se confronterend. De vraag aan jezelf stellen, en ‘de wereld’ vervangen door ‘jezelf’, daarentegen..
Het feit dat ik de antwoorden mocht opschrijven, vertalen naar enigszins begrijpelijke teksten en later een essay mocht produceren, was al een noemenswaardige stap in de richting van ‘toekomst’, ofwel ‘hetgeen ik naartoe denk te gaan’.

Ik denk dat je pas weet waar je naartoe gaat als je er eenmaal bent. Wat die hele vraag dus overbodig maakt. Stel hem maar eens aan een eland. Hij zal je aankijken en je voor gek verklaren en dingen bulken als  “Schrijnende ecologische tekorten!”.
Hij zou verder gaan met grazen.
Hij weet namelijk ook pas wiens schouw hij mag versieren wanneer hij er eenmaal hangt.
Maar goed. Dat is mijn mening.

op jihadreisje

“De wielen van de bus die draaien rond, rond en rond, rond en rond!”
Spiderman-rugzakjes onderin de bus gejoekeld, Caprisonne in het knuistje en op naar Syrië. “Wel goed insmeren, hoor.” Zei mama nog voor we vertrokken. Ja ja. Wel goed insmeren. En genoeg drinken hè. Ja. Ook genoeg drinken.
In Syrië kan het flink heet worden moet je weten.

Onderweg stoppen we hier en daar voor een welverdiende versnapering. Ik leer olijfolie maken en het vervolgens niet te kopen. Tering wat is dat duur!
Ook krijgen we knetter-ijsco’s. Wat mij betreft mag het reisje nog wéken duren.
Maar een stemmetje in mij zegt me dat we moeten opschieten.

“Het hondje in de bus zegt waf waf waf. Waf waf waf. Waf waf waf.”
We hebben een kaart bij ons en de rugzakjes zijn goed gevuld. Het kan eigenlijk niet mis gaan.
De buschauffeur vraagt of hij ons hier weer moet oppikken.
Dat lijkt me niet nodig.

http://www.rtlnieuws.nl/nieuws/binnenland/rechter-oordeelt-over-jihadreis-verwarde-mohammed-g

lentekreukels

Héél even naar het terras dan.

Voor dat etentje voor twee waarvoor je nog een paar kleine boodschapjes moet doen, besluit je héél even het terras op te gaan. ‘Héél even’ wordt gewoon ‘even’. Er sluiten mensen aan, mensen die je al véél te lang niet hebt gezien. Mensen die je eigenlijk alleen ziet met dit weer. Je weet heel eerlijk gezegd niet eens wat deze mensen doen, als het regent of sneeuwt. Wat jou betreft macrameeën ze er maanden lang op los, of hebben ze een donkere schuilkelder waar een nieuw hondenras gefokt wordt. Het maakt ook niet zoveel uit, want als ze er zijn is het immer feest.

Er worden al snel grapjes gemaakt over mijn onhandigheid. Ziet u, ik ben nogal onhandig. Op het zelfdestructieve af. Je raakt eraan gewend, na een goeie drieëntwintig jaar. Niks om je voor te schamen, als je het mij vraagt. Momenten die ik zelf al bijna ben vergeten worden uit de oude doos getoverd. Die keer dat ik met twee volle boodschappentassen en een netje sinaasappels op een kruising stond toen het netje besloot de zware last te lossen. Daar gingen ze dan, vrolijk stuiterend alle richtingen van het kruispunt op. Op dit moment was er niet heel veel verkeer, dus besloot ik mijn fiets op de standaard te zetten en mijn oranje vrienden één voor één in mijn feestelijk gestipte jurkje te verzamelen. Ik gebruikte hem als ware een buidel. Dit alles ging goed, een tikje traag, maar doeltreffend. Het verkeer nam toe, maar niemand leek er echt problemen mee te hebben om op een vrolijk gestipt meisje met haar buidel vol oranje fruitigheden te wachten.
Tot de lente besloot dat ze toch wel erg jong was en het tijd was voor een frisse wind. Een harde frisse wind. Onder mijn jurkje, die op dat moment om mijn middel hoelahoept.
Nu kun je twee dingen doen; de sinaasappels laten vallen en wegfietsen, óf, wat ik deed, je verlies nemen, de vruchten proberen te redden en in je veel te blote ondergoed je fiets proberen te beklimmen.

Dit was een van de vriendelijkere verhalen, dat merk je aan het feit dat het niet eindigt bij de Eerste Hulp.

Na een derde laatste witbiertje en een zoveelste grappige anekdote met mij in de lijdende vorm stap ik op mijn fiets om dan toch maar die kleine boodschapjes te gaan doen, een klats koffie in mijn mik te duwen en hopen dat de pannen op het vuur de rest van het werk doen. Na iedereen gedag te hebben gekust fiets ik de hoek om, waar het lot mij opwacht. Een fietswiel, niet de mijne, lijkt mijn voorwiel te willen omarmen en samen piepen ze zo’n acht seconden in elkaar gehaakt over de autobaan.
Één: Huh?
Twee: Wat de..?
Drie: Wel godver!
Vier: “Ooooo”
Vijf: “Neeee!”
Zes: Jawel hoor.
Zeven: Kan ik nog afstappen?
Acht: Nee.
Ik beland na acht tergend langzame seconden vóór mijn fiets met mijn benen over mijn stuur en met de rechterhand mijn vrolijk gestipte jurkje in een kuise houding houdend.
Mijn andere hand lijkt te hebben geprobeerd mij en mijn fiets op te vangen. Nadat ik check of de andere bestuurders en omstanders oké zijn en een paar ‘Nee, het gaat prima!’s snel ik naar huis, om met het dichttrekken van de voordeur de pijn toe te laten. Maar eerst moet ik me omkleden, mijn jurkje is vies van de val.
Helaas. Mijn hand heeft de kracht van een pak aardbeienvla en bij een enkele inspanning zak ik door mijn benen.
Daar zit ik, een anekdote rijker. Gestipt jurkje in de knieholtes, mijn linkerhand snikkend naar de hemel gericht alsof ik antwoord verwacht van een hogere macht.

Héél even naar de EHBO dan.

op reis

Het is vakantie.

Of nu ja, ik heb geen vakantie; we zijn op vakantie. Ik heb deadlines en een licht aanzwellende paniekbal in mijn onderbuik.
Maar het gaat me prima af, te doen alsof deze niet bestaan. In een dorp vol bizar gevormde tomaten en dito mensen, met hun mediterrane huidskleur als Earl Grey thee au lait.
Of ze hier ook Wifi hebben?
Ze hebben hier een VVV kantoor dat geopend is wanneer 30 februari op een donderdag valt, twee lantaarnpalen en een stel schuimbekkende ezel-paarden.

Wifi.
De buurman van een paar kilometer verderop is afgelopen jaar in zijn kunstgebit gestikt tijdens het uitspreken van dat woord. Daarom praat hij niet meer, maar hapt hij alleen nog maar in het luchtledige. Althans, zo gaat het verhaal.

En dan zaterdags met zijn vieren fijn in die mega giga superdupermarkt een uurtje verderop boodschappen doen. Er zouden vanavond -wellicht, misschien, het zou zomaar kunnen- ongeveer vijf eters aanschuiven. Misschien. Wie weet.
We hebben in de auto de taken verdeeld, maar bij aankomst lijken paniek en chaos de overhand te nemen. Een gigantische TL-verlichtte hal vol fel gestickerd koopwaar, een enorme sectie kleding die van een bijzonder soort wansmaak getuigd en een bak waarin wel honderd arme kreeftjes elkaar de ogen uitsteken. Voor mij begint de wanhoop bij deze watertank. Ik kan in alle eerlijkheid zeggen dat ik prikoogjes kreeg van de TL-verlichting, maar de kreeftjes steken in mijn traanbuizen. Gehandboeid – nee- geschaarboeid liggen ze daar, opgestapeld als het overgeproduceerde stokbrood dat een paar gangen verderop ligt te geuren. Hoe ver zou het zijn naar zee? Als ik een gat in de tuin graaf en die vul met Spa Blauw, zouden ze dan gelukkig kunnen worden? Of willen ze echt alleen Chaudfontaine? En wat eet zo’n kreeftenfamilie eigenlijk, op maandbasis? Ik zou de piepkleine knokige fransvrouw met haar felrood bebloedde schort aan de andere kant van het aquarium zoveel vragen willen stellen, als ze me maar kon verstaan.

Mijn taak is dus het brood. De geur herinnert me hier vluchtig aan, maar na het zien van het enorme keuzeaanbod moet ik toch terug naar het boodschappenkarretje om wat meer duidelijkheid te vragen. Het karretje terugvinden is dan ook het eerstvolgende probleem; een lichte paniek vult mijn lichaam als hete koffiedrab die bij mijn keel begint en bij elke stap verder richting mijn knieën zakt. Zo speur ik de gangen af, met rode vlekken in mijn hals en irissen die van links naar rechts schieten zonder echt ergens op scherp te stellen. Straks zijn ze al weg. Straks heb ik veel te lang met mijn voorhoofd tegen die watertank geplakt staan staren.
Ik bots een zichtbaar geschrokken lotgenoot met zes verschillende soorten toastjes onder zijn armen tegen het lijf en samen zoeken we zwijgzaam verder.
Wanneer ik weer bij het karretje vandaan loop zijn de rollen compleet anders verdeeld. Nu moet ik vlees, dingen voor op brood en kappertjes. Het waarom wil ik niet eens meer weten.
Niets is zeker op dit moment, alleen dat ik de gang met de kappertjes hoogstwaarschijnlijk al drie keer ben gepasseerd voordat ik het knokige fransvrouwtje met handen en voeten probeer duidelijk te maken dat ik de gang met de kappertjes zoek.

Maagzuur van eetwaar (blijkbaar worden er hier bar weinig kappertjes gegeten), aanstaande rekeningen, nog altijd staande deadlines en een gezonde dosis zelfmedelijden verzuipen in het kalmerend kabbelende beekje dat mijn blaas al dagen voor het lapje lijkt te houden.

Ik zal me daar betoeterd zijn ze van de gewisse verdrinkingsdood te redden.
Ik kom ze op de weg terug wel weer tegen.
Naast de buurman’s kunstgebit, een strak georganiseerd etentje met verse kreeftenmousse op toast en een knoepzuivere internetverbinding.