ESSAY | George de boomslak

2019 Begon met het uitsterven van de Hawaiiaanse boomslak. De laatste der Mohikanen heette George. Met George stierf niet alleen een slak met een mooiere naam dan menig fransman die hem op zijn bordje wenst, maar een hele diersoort. George was maar een klein stipje op een vlaggetje van de slinger uitstervelingen die wij aan het uithangen zijn, en ik vraag mij met elke krantenkop meer en meer af waarom George nooit in het nieuws is geweest. Goed, de laatste Hawaiiaanse boomslak is misschien geen voorpaginamateriaal, maar waren we niet allemaal, de hele wereld tegelijkertijd, in een grote allesveranderende crisis? Voordat wij bij bosjes aan de Covid bezweken? Hoe gingen we dat ook alweer aan onze kinderen uitleggen.

Op dit moment sterven er dagelijks soorten uit, de teller staat nu op de 635 uitstervende diersoorten per jaar. We zitten volgens wetenschappers (dat zijn die mensen waar we nu allemaal zo goed naar kunnen luisteren) in ‘de zesde golf van massa-extinctie’. Het golft net zo hard door als de koorts in de lijven van de coronapatienten.

Ik liep laatst met de vader (een van de twee, beide blijde wandelaars, inclusief verrekijker en/of vogelboek) op gezonde afstand door natuurgebied De Kampina, niet ver van ons huis. Een prachtig gebied dat zijn heides ziet verdwijnen, en beige vlassig gras ervoor in de plaats ziet komen. Vogels trekken verder. Niet allemaal, gelukkig.

We kwamen te spreken over de vraag wat nog natuur is, als alles door ons is aangelegd, behouden of wegbezuinigd of door verdwijnen van de biodiversiteit wegkwijnt. Ik stel: alles is natuur. Vader zegt ‘Als het geen natuur is, noem het op zijn minst ‘leven’.’
Als we even stil zijn horen we het knisperen van de donkere bast van de hoge den die loslaat in de zon, en plaats maakt voor de verse oranje-rode stam.

De klimaatcrisis, zo heette de vorige ramp waar we ons bijna kwaad om maakten. De opwarmende wereld, smeltende ijskappen, het uitsterven van alle plant- en diersoorten, het werd op een nippertje na een probleem van ons allemaal. Een aantal politici riep nog dat het niet onze schuld was, Twitter werd nog een laatste keer boos op linkse policors. We waren een haar verwijderd van het luisteren naar de wetenschappers, de problematiek globaal aanpakken, met mondjesmaat vingers wijzen maar vooral de handen uit de mouwen steken en de klimaatcrisis, de stikstof ellende en het massa-uitsterven zien als óns probleem. Iets waar we met zijn allen iets aan zouden moeten doen. Geen uitzonderingen daargelaten.

Er is hoop, niet alleen voor ons, zei Kafka ergens in de verte.

Het nieuwe normaal, die van het wereldwijd verspreide virus, de anderhalvemetersamenleving – beste galgje woord van het jaar, dat hebben we alvast gewonnen – wekt zowel optimisme als cynisme op. In het beste geval leren we ervan, in het slechtste geval gaan er heel veel mensen dood en de economie. Wee de economie. Wee ons blauwe kloppende hart, wee onze huurbazen, wee de boer met zijn veestapels en wee de kunstenaar die roept dat we niet zonder hem kunnen. Het probleem is dat wij niet voorgeprogrammeerd zijn om ons aan te passen. We zijn niet flexibel, ook al hebben we dat allemaal op ons CV staan. We zijn niks gewend. We praten iemand na die zegt dat we niet stoer moeten doen, wel verstandig moeten doen, en dat dit, waar we nu op afstevenen ‘Het Nieuwe Normaal’ heet. Het is alleen niet normaal: daar zat het hele probleem om mee te beginnen.

Een virus leeft niet, las ik. Een bacterie wel. Daarom kun je een bacterie ook doden, en een virus niet. Een virus kun je wel uitroeien, je kunt hem de oorlog verklaren – als je in je eigen leven geen oorlog kent is dat niet eens vreemd om te doen. Omdat het óns probleem is. Daarom is Alleen Samen zo’n waanzinnig doeltreffende en mooi gevonden slogan. Het is aan ons allemaal, individueel, om deze ziekte aan te pakken. We worden aangesproken als mens, als iemand die ertoe doet, èn als kudde. Ik ben een superheld door met zijn allen thuis te blijven. Het is namelijk jóuw moeder, opa, oom, die daar op het IC ligt te vechten voor zijn leven. Het is jouw kapperszaak, band, theaterzaal, café, multinational. Dus maak maar dat je afstand houdt, dat je binnen blijft, dat je niemand besmet. Wij zijn in oorlog, allemaal. Met de hele wereld tegelijk. Met de medewerkers uit zorg en onderwijs eindelijk in de heldenstatus die ze verdienen, als soldaten aan het front.

En wij, wij zijn er dus nog. Zien we het klimaat, de aarde, ook als óns probleem? Een oorlog die we met zijn allen moeten winnen? Met de aardbol als slagveld èn de bokaal? Met de journalisten en de wetenschappers – die het zelfs weleens mis mogen hebben van ons – waarnaar geluisterd wordt, de mensen in de ‘vrouwenberoepen’ als helden, en de machismo-leiders als grote vervuilers en verliezers?

Voor George is het te laat, hij was nooit echt ons probleem. Is de rest dat wel? Zullen we nu minder bang zijn voor de onzekerheid en mouwen opstropen? Toekomsten blijken onvoorspelbaar, als we iets leren van deze periode is het dat wel. Als we nu allemaal een beetje aan George blijven denken komt het misschien wel goed met ons.