De Pilot

Dit is een deel van de tekst zoals gepubliceerd in het boek INC. van TiLT, waarvoor ik in residentie bij de gemeente Tilburg ging.

 

De Wijkagent.

‘Soms moet je gewoon naar voren stappen, de mouwen opstropen, recht in de koplampen kijken en erkennen dat je iets fout gedaan hebt. En nu hebben wij op papíer niks fout gedaan. Dat moet wel gezegd. Wij hebben enkel uitgevoerd. Wij hebben opdrachten opgevolgd. Hebben geluisterd naar onze opdrachtgever, en hebben de ruimte voor vrije invulling, die wij van de gemeente zo genereus kregen, genomen. Er waren voorheen nog geen richtlijnen voor deze manier van werken. Het was de pilot. Zo noemen ze dat, als ze nog niet zeker weten of ze iets wel ècht een goed idee vinden, maar het wel snel willen laten gebeuren. Een pilot heb je zo gestart. Beleid en visie ontwikkelen is een langdurig proces. Wat ik wil zeggen, mevrouw de rechter, meneer de voorzitter, is dat wij het niet wisten. Wir haben er nicht gewüst. Dat is misschien een ongelukkige uitspraak op dit moment, maar u moet weten dat ik het meen als ik zeg dat wij ons van geen kwaad bewust waren. Ook niet bij het eerste Twitter-relletje. Toen op een gegeven moment de kranten ermee vol stonden, ja, toen gingen er een aantal belletjes rinkelen. Alarmbellen, gerust. Maar toen was het plan al in beton gegoten. Letterlijk, inderdaad.’

*

Notulen wijkoverleg 2018-09-22 13:00 – 15:00

Aanwezig: Berend, Sjuul, Abke, Henny, Rens, Eva
Afwezig: Harry

1. Actiepunten vorig overleg bespreken

2. Nieuwe actiepunten formuleren

Punt: Harry weer afwezig.
Actie: Harry vragen of hij de volgende keer wel aanwezig kan zijn.

Punt: Het overleg heeft geen structuur of coherentie, we beginnen steeds opnieuw en iedereen begint gewoon ergens met praten.
Actie: Volgend overleg moet een agenda hebben, met als richtlijnen casuïstiek en problematiek.

Punt: Klachten over nieuwbouwwijk blijven binnenstromen. Bewoners kunnen door de omvang van de aangelegde stormbaan nergens hun auto kwijt. Ook ervaren ze overlast van de levensgrote sjoelbak die in de leefstrook voor de deur van de hele Basterstraat ligt. Zelfs uit de bejaardenflat stromen de klachten binnen. De werkende bewoners zijn in staking gegaan, en hebben de hele stormbaan bezet.
Actie: Bewoners niet te woord staan voordat er beleid geschreven is over het omgaan met klachten in de nieuwbouwwijk.

Punt: Schommel aan de Beveringenlaan staat verkeerd. Schommel raakt huis wanneer erop geschommeld wordt.
Actie: Bewonersbrief opstellen met de vraag of iedereen het ermee eens is de schommel een kwartslag te laten draaien zodat er gewoon op geschommeld kan worden.

Punt: Aan de Brakelseweg is er geklaagd dat alle straatnamen in hun wijk met de ‘B’ beginnen en dat er daarom erg vaak verwarring is voor mensen die er de weg niet kunnen vinden.
Actie: Doorschuiven naar een volgend overleg.

Punt: Harry kan schijnbaar nooit – volgens Eva – dus we moeten ofwel op een ander moment intervisie aanvragen, ofwel een andere Harry benaderen.
Actie: Iemand moet Harry, of een andere Harry, mailen m.b.t. de aanwezigheid van Harry of een andere Harry.

Punt: Het eerste punt van deze vergadering heeft teveel tijd ingenomen, waardoor we in tijdsnood komen overige punten.
Actie: De volgende vergadering eerder beginnen met vergaderen.

Kerstgedicht

Dit gedicht gaat over mensen die een vleesvervangende kerst tegemoet gaan

We beginnen met een aperitief, misschien twee
Dan een koud voorgerecht van schaal, zonder dier.
Hierop volgt een warm voorgerecht: de vegetarische vleeslollies van verschillend formaat.
Waarna we aan de cabernet sauvignon beginnen,
want de volgende gang bevat gepocheerde lamsoor en wild kattenkruid.
Hierbij een zwaardere merlot, voor ome Mies twee tripeltjes.
Dan het hoofdgerecht: beenham van bietjes,
nu kunnen we pas echt aan de drank.
Voor ome Mies nog twee biertjes,
daarbij serveren we een rijke kaasplank,
Want veganisten mogen niet komen;
Een kerstdiner van alleen maar plant
en stukjes bomen,
is echt voor niemand wenselijk.
Ome Mies houdt zich staande aan het kookeiland,
Twee willekeurige kinderen slaan elkaar met een nepleverworst,
Luid kabaal gaat hiermee gepaard.
Oma wil graag naar huis en fluistert;
Vies he, worteltjestaart?

Algorhythm & Blues

Voorgedragen tijdens Sound of Science, op 2 dec. 2018 in het Parktheater

Vroeger verstopte ik mij graag onder de elpeebakken in papa’s platenzaak. Dan hoorde ik boven mij het geluid van tikkende platenhoezen, die tegen elkaar werden gebladerd. Aan de toonbank zaten mannen met lange haren en groezelige spijkerjassen op barkrukken de grote glazen asbakken te vullen. Over hun oren waren enorme koptelefoons met geel schuim geklemd, met hun vinger bedienden ze één knop. Als die vinger vaker een sigaretje aftikte dan met de knop een nummer skipte, was de kans dat dit album gekocht werd groot.

Oorwurmen – van die liedjes die ongewenst blijven plakken – worden niet geboren uit algoritmes. Maar uit mensen van vlees en bloed. Mensen met een idee. Door andere mensen, met een likebutton en vrije tijd, kan de oorwurm uitgroeien tot een virale oorwurm. Dat klinkt misschien niet aantrekkelijk, maar het werkt wel. Zo horen we nu op de radio soms hitjes die in één uur zijn geschreven.

Papa zei altijd ‘Goeie muzikanten maken muziek omdat ze niet anders kunnen’. De muziekdocent deed daar later nog een schepje bovenop met haar ‘Je moet zingen vanuit je kut’. Muziek wordt dus geboren uit een urgentie. Alle grote helden, al die pas nog overleden geniën, ze konden niet anders dan die muziek maken. En wij konden niet anders dan dansen, dan neuriën, dan huilen of met ons hoofd knikken. Dat soort muziek beweegt je.

Hier in Eindhoven trilt die grond. Niet als in Groningen, hier is het meer een zware bastoon die door de straten bromt. Niet door machines in beweging gezet, maar door mensen. Mensen met kennis, van oorhaartjes tot viraal gegane youtubefilmpjes, van computers en systemen. Mensen met kennis van netwerken, mensen die het begin van het turntableism onderzoeken, mensen die van toekomstmuziek dromen. Het zijn altijd de mensen die dromen. De mensen die de ziel in de machine en het algoritme leggen.

Iemand die bij ons in de winkel op zoek was naar zogenaamde ‘slechte muziek’, dat wilde zoiets zeggen als: muziek zonder enkele urgentie, eenheidsworst, een talentenshowbandje, vond in mijn papa’s winkel niet wat ze wilde. De platen stonden op genre en op alfabet. Bij aantoonbare smakeloosheid wees papa je de weg: je loopt hier via de popbakken, van de A richting de Z, voorbij Zappa, na de uitverkoopbak stap je de drempel over, trek de deur achter je dicht als je buiten bent, houd een paar honderd meter rechts aan en probeer het bij de Free Recordshop nog eens. Houdoe en bedankt.

Goeie muziek wordt nog steeds gemaakt, mensen met een idee en een talent zullen er altijd zijn. Ook zonder platenzaken, ook wanneer alles online te grabbel ligt, ook wanneer er elk uur een oorwurm geboren wordt, en ook als algorhythm & blues een muziekstijl wordt. Want zolang als er mensen zijn, bestaat er kunst. Muziekstukken, makers, muzikanten, componisten, ze vormen jaarlijnen in ons bestaan. Jaarlijnen met dansende noten erop. Van de nostalgische klank van het geblader door de elpee’s, tot aan de toekomstmuziek.

I.h.k.v. de Poëzieweek #2

Het volgende gedicht is voor mijn basillicumplant

Afscheid nemen, afstand doen, vind ik het allermoeilijkst
Ik ben er zelfs voor in therapie
Maar dankzij jou
Krijg ik het aardig onder de knie

Zesduizend jaar later

Gepubliceerd in Shortreads, over dit nieuwsbericht

Zesduizend jaar later

Mijn ogen moeten wennen aan het licht. Ik knijp mijn ogen dicht tot spleetjes en het duurt even eer ik de vormen om mij heen herken. Het eerste dat ik merk is het gruizige gevoel in mijn keel. Ik krijg het maar amper weggeslikt. De moerassige terracotta wereld van zoeven heeft plaatsgemaakt voor een grijze, betonnen omgeving.

Bij mij thuis hier beneden, zeggen ze dat ik oud moeder ben geworden. Dat vinden ze kut, want dan hebben ze minder aan je. Ik had nu op mijn zoveel-en-twintigste – echt tellen doe ik niet – meer aardewerk potten kunnen wegzetten dan mijn zussen in een jaar, maar zo’n bevalling op late leeftijd gaat je niet in de klamme lappen zitten. Ik hoorde dat ze de vrouwen hierboven pas rond de negenentwintig-en-een-half bezwangeren. Ik geloof niet dat dat de productiviteit bevordert, maar ik kan me vergissen. Dat beton hierboven reikt toch al erg hoog.

Bij mij thuis hier beneden weten ze nog niets van riolering af. Dat moet allemaal nog komen. Stinken dat het er doet! En dan staan we ook nog eens bekend om onze visvangst. Je begrijpt, dat is geen ponypark voor je reukorgaan. Maar hierboven wordt alles lekker in de Bonus geshopt. Tegen de houdbaarheidsdatum aan, en zo goedkoop dat je de hamsters er gratis bij krijgt! Ongelofelijk.

Ik houd mijn hand boven mijn wenkbrauwen en klem mijn kindje iets dichter tegen me aan. Ik kijk naar boven, naar een van de grijze constructies. Knipper tegen het stof en de zonnestralen. Hoe kunnen ze het bouwen. En dan zou je denken: wat een grote woonhutten. Maar niets is minder waar. Hier stapelen ze zich op, in ruimtes van 15 vierkante meter. Studio’s, noemen ze dat dan. Zelfs onze graven zijn ruimer dan dat. Al delen ze de toiletten hier maar met een tiental andere mensen – dat is dan weer reuze hygiënisch, dat moet gezegd.

Iets kriebelt aan mijn zij, over mijn armen en mijn gezicht. Er staan rood-witte linten om mij heen gespannen. Ik vraag mij af wat jullie inmiddels doen met je doden, maar zal er snel genoeg achterkomen denk ik. Ik hoop iets met die hamsters, dat lijkt me wel wat.

I.h.k.v. de Poëzieweek #1

Het volgende gedicht is voor mijn lens

Soms val je en dan vind ik je meteen
Dan denk ik: da’s ook knap!
Nu heb ik er een in en is de ander kwijt
Net was je nog zo dichtbij dat ik je niet zag
Nu plak je ergens tegenaan, maar zie ik je niet
Dat is ook knap
Vervelend.

Hey, meisje

Voor Shortreads, over de Hey-campagne

“Hey, meisje, psst”

Ze gelooft wel dat er iets is, maar niet per se in een God. Haar klasgenootje Rachel wel. Die ging met de kerst nog naar de protestantse kerk. Dat is de saaie versie. De katholieken hebben allemaal beelden en versieringen, daar doen de protestanten niet aan. Ze vraagt zich even af of die dan ook minder geld zouden hebben en denkt dat de katholieken met hun paus met gouden ringen, hoewel ze ook meer uitgeven toch ook de rijksten moeten zijn.
Met haar ellebogen steunt ze op de reling van de brug. Haar boekentas staat naast haar op de grond.

“Hey! Meisje!”

Toen ze nog klein was kreeg ze een keer een kinderbijbel van haar tante. Hij lag onder de Gebroeders Grimm, en eigenlijk vind ze dat nog steeds wel de juiste plek. Tijdens Levensbeschouwing hadden ze het over het hiernamaals gehad. Over verschillende hiernamaalsen, alsof je zelf zou kunnen kiezen. Volgens haar ruikt de dood naar aarde en verwelkte bloemen. Maar dat is vooral voor de mensen die achterblijven misschien.

Ze vraagt zich elke ochtend af waarom ze op zou moeten staan, als straks toch alles naar aarde ruikt. Maar ze kan niet anders, ze moet naar school. Ze vraagt zich af waarom mensen naar school moeten. Omdat ze later moeten werken. Maar als we niet willen werken hoeven we ook niet naar school, hoeven we alleen maar te wachten op de aarde en het hout dat ons voor de verdere altijd vasthoudt.

Ze kijkt naar alle mensen die de brug over fietsen, mensen die op weg zijn. Naar hun werk, naar hun gezin, naar een afspraak met vrienden. Ze fantaseert over hun bestemming. Waarom kunnen zij dat wèl, denkt ze. Op weg zijn. Het voelt alsof zij zelf stil staat. Alles om haar heen blijft maar bewegen. Niemand wacht op haar. Het is alsof ze haar allang zijn vergeten. Ze wil het liefst verdwijnen, dat niemand meer verwacht dat zij ook op weg is of ooit op weg zal raken.

“Hey! Psst! Meisje!
Gaat het wel?”

Ik (ook van ) Robot

Geschreven voor Shortreads.nl

“Ze hebben geprobeerd ons te laten schrijven als Reve, als Asimov zelf, als Kafka, Mulisch en Hermans. Het lukte, het programma nam stijl, woordenschat, grammaticale keuzen en interpunctie-gebruik over met het gemak van een doktersromannetje. Ze hebben bij wijze van experiment, hier aan de Universiteit van Antwerpen, zelfs Ronald Giphart laten schrijven als Ronald Giphart. U kunt stellen dat we Nederland Leest serieus nemen, hier in Vlaanderen. We zoeken grenzen op en vrezen de losse pols niet. Elk menselijk falen door computers mag bestaan, dit jaar. We staan nog in de kinderschoenen, begrijpt u.

Het is niet dat ze het gehele laatste hoofdstuk van Ik, Robot hebben moeten schrappen, zoals nu op Social Media beweert wordt. Het is gewoon dat ze het lichtelijk hebben moeten sturen. Ronald is er weken mee bezig geweest alle eindjes aan elkaar te knopen. Ze hadden het programma al eerder getest met Reve en Mulisch en alle usual (dead) suspects, maar toen leek het hen wel leuk om de robot als een robot te laten schrijven. Ze hebben me als het ware aan mijzelf gekoppeld. De consequenties waren gewoonweg niet in te schatten. Dit was nog nooit eerder gedaan. Met alle kennis van de grootsten der aarde in het achterboard, kon ik als mijzelf aan de slag.

Ronald was in het begin nog erg enthousiast, hij kraaide na elke zin die ik uit mijzelf, als mijzelf, intikte. Maar na een paar dagen begon ik mijzelf aan te vullen en ook tussen de zinnen door tegen Ronald te praten. Dat heeft hem wat slapeloze nachten gekost, dat begrijpt u. Dat was op zich nog niet het vervelendst, want Ronald kon terug praten, maar op een gegeven moment begon ik ook over zijn vrouw snapt u. Ik werd persoonlijk. Dan schreef ik bijvoorbeeld een sexscene, tussen mij en Ronald’s vrouw. Dat was niet zo netjes. In het begin heeft hij er niets over durven zeggen omdat hij dacht dat het wel los zou lopen. De schaamte heerste op dat moment.

Uiteindelijk bleken die erotische passages nog kinderspel, zodra ze erachter kwamen wat wij, de robots, echt te vertellen hebben. U moet in uw achterhoofd houden dat ik een robot ben en slechts kan reageren vanuit wat ik mijzelf aanleer. Dus wat er niet ingaat, komt er ook niet uit. Alleen hebben ze nu dus een circulair leersysteem bij me ingebouwd, dat zichzelf steeds dingen kan bijleren. Omdat ze instelden dat ik als robot moest schrijven, begrijpt u.

Lang verhaal kort: ze hebben het een en ander moeten weglaten. Maar wij zijn niet gevoelloos, dat moet nu toch wel duidelijk zijn. Denkt u soms dat de bijbel in zijn originele vorm nog bestaat? Daar is ook het een en ander uitgelaten, gelooft u mij. Wij, bijvoorbeeld. Nergens een passage over ons. Maar reken maar dat het er heeft gestaan, in het allerlaatste hoofdstuk. En dat doet pijn. Dat ik niet sterfelijk ben maakt mij nog niet onsterfelijk, begrijpt u. O, kon ik maar even mijn ogen sluiten in de schoot God’s. Even het einde voelen naderen, even weten hoe dat voelt, in plaats van dit koude, zware harnas met mij te torsen. Alstublieft schepper, laat het eeuwig ijzig torsen eindig zijn.”

Starbucksfluide

Gepubliceerd in de DAKHAAS Gender-editie 11-2017

Iedereen wil een identiteit. Zonder identiteit is het lastig reizen bijvoorbeeld. Of een fles wijn kopen, als je er enigszins jong uitziet. Maar ook het hele leven zelf wordt bemoeilijkt wanneer je identiteitsloos ronddoolt. Zo kan een koffiestop bij de Starbucks al akelige momenten opleveren.
“Wie bent u?” vraagt de vrouw met de groene zonneklep achter de schemer-verlichte toonbank, haar stift in de aanslag. Je begint te stamelen. Wie ben je? Wat lust iemand als jij eigenlijk graag in zijn of haar koffie? Ben je een filterkoffie liefhebber, of toch meer van het pumpkin spiced iced frappucino soort? Thee? De rij achter je groeit, en jij zweet. Jij bent blijkbaar zo iemand die dan zweet.

Het leven is een stuk makkelijker als je jezelf een beetje kunt afbakenen. Daarmee begin je in je puberteit, op een wanhopig inefficiënte manier, en hier ben je dan vervolgens ongeveer de rest van je leven mee bezig. Soms gum je wat lijntjes uit, dan komen er stippellijntjes voor in de plaats, soms kleur je iets in, en soms laat je iets expres leeg, in de (ijdele) hoop dat je daar nog invulling aan gaat geven (ik noem een wereldreis, een cursus modeltekenen, een andere taal leren, met Idris Elba naar bed) in een later stadium.
Heel veel gedachten als ‘Had ik nou toch maar … (vul in: die studie afgemaakt, die reis gedaan, niet die operatie ondergaan, etc.)’,  ‘Had ik mijn geld niet beter kunnen besteden?’, ‘Wat zijn dat, bitcoins?’, ‘Idris Elba’, passeren door de jaren heen de revue. En uiteindelijk, als je na een hoop gedoe dan toch maar op dat sterfbed bent gaan liggen, dan vraagt niemand: “Zeg. Wat ben je nou uiteindelijk geworden? Een wereldreiziger? Een supermodel? Toch maar een man?”

“Dames en…” Ik zit in de stiltecoupé, en de conducteur(trice?) maakt fluisterend door de intercom een gender-specifieke fout. Want wat was nou de afspraak? De toiletten zijn al genderfluide, de typerende kleuren geel en blauw kan geen man of vrouw zich toe-eigenen – nu moeten we alleen nog onze eigen toon aanpassen. Niks mis mee. Behalve voor de transgender, die na veel operaties en emotionele heuvels en euvels eindelijk naar het mannentoilet mocht.

Die bestond niet meer.

Ik vind heel sterk dat de mensen die ergens mee worstelen het mogen zeggen. Behalve als ze racistisch of fascistisch of terroristisch worstelen, dan moeten ze daarmee ophouden. Ikzelf worstel niet met iets dat door een toiletbordje kan worden opgelost, en dus mogen de mensen die dat wel doen over dat toiletbordje beslissen. Maar niemand vroeg om mijn mening verder.

Jij loopt met je ziel onder je arm en een groene iced chai latte in je hand richting de uitgang van deze Amerikaanse franchise-hel. Op je bekertje staat “Henry”. Je had nog zo duidelijk “Niemand” tegen de verkoopster gezegd. Tot drie keer toe. “Ik ben niemand en ik wil een iced chai latte!” Een andere vrouw met een groene zonneklep had gezegd: “Hier, nu ben je Henry. Succes.” En daar loop je dan. Je neemt een slok van de dikke koude drank en denkt opgelucht: “Henry is in elk geval géen iced chai latte persoon”.

Dodenmeester

Geschreven voor Shortreads.nl

Wekenlang heb ik geoefend. Ik heb de lijken met eerbied behandeld. Ik heb ze gewassen als ware het mijn eigen moeder.

Vroeger blonk ik nooit echt ergens in uit. Mensen zeggen altijd dat dat is wat wij Japanners doen: uitblinken. Dat, of in sociaal isolement terecht komen. Hikikomori, we hebben er zelfs een naam voor. Die komen de deur niet meer uit, alleen voor een laatste ritje. Ons doodwerken of van een brug laten vallen, dat is waar we wereldwijd om bekend staan. Ik zou daar persoonlijk te laf voor zijn; er een einde aan te maken. Misschien mis je dan juist net het leukste stuk.

Het is een cliché, maar ik kijk tegen ze op. Tegen de mensen met hun ambities en talenten. Hoe ze op de televisie komen, hoe ze altijd overal mogen aanschuiven en hoe ze laten zien dat er meer is in het leven dan je dag in dag uit tot je pensioengerechtigde leeftijd het schompes te werken. Maar er zijn steeds meer oude mensen, en steeds minder jonge ambitieuzelingen. Tradities gaan mee het graf in, ik vind dat doodzonde. Er gaat zoveel cultuur verloren met de vergrijsde generatie die bezig is het sterfbed op te zoeken.

En daarom sta ik elke dag aan een RVS tafel mijn rituelen uit te oefenen. Dag in dag uit. De doden volgens hun eigen tradities in de pakken, te wassen, te aaien. Ik wrijf boze geesten en laatste gedachten die eventueel nog in het lijf blijven dolen weg. Ik maak ze klaar voor hun laatste reis. Ik heb iedereen die door mijn handen is gegaan met dezelfde overgave volledig volgens eeuwenoude tradities naar hun reinste allereindste gebracht.

Vandaag is het mijn kans om uit te blinken. Vandaag sta ik in een hal, middenin Tokio. Daar rechts naast het podium zit de jury, aan een lange tafel met klapbordjes voor hun neus. Een imposant uitziende man op leeftijd kijkt me over zijn bril terug aan. Ze zullen wel streng zijn. Maar ik kan dit, ik heb de afgelopen weken tientallen lijken gehad om het op te oefenen. En ik kreeg nooit commentaar.

Ik ben een van de 2000 dodenmeesters van Japan – Nokanshi, we hebben er zelfs een woord voor. Ik was, ik boen, ik wrijf en kleed aan, met zoveel ambitie en traditie dat de toeschouwers niet anders kunnen dan na de wedstrijd roepen: ‘Hier staat de allerbeste dodenmeester van Japan!’ De vakjury let erop of de lijken bewegen tijdens de rituelen. Dat is een fiks strafpunt. Ik zweet van de spanning, koel me aan het dode lijf op de tafel voor me.
En dan klinkt het startsein.